Hoofdtekst
I -En van Slokkepier, hebt ge daar nog horen van vertellen?II -Dat ze de kinderen zo schou maakten met Slokkepier of Mansepier. (Mijn vader verklapt het eigenlijk al.)I -Wie was dat Slokkepier, wat deed die die Slokkepier?33 -Ah, de jongens schou maken hé.I -En wat was dat voor iets, Slokkepier?Do -Wat was dat?34 -En wat was dat voor iets, Slokkepier?33 -Ah ook zo een farce hé.Do -Was dat een mens Slokkepier?33 -Ah bah ja, ze stelden hun dat voor hé.II -Ze zeiden dat voor de kinderen schou te maken omdat ze ‘s avonds niet meer zouden buitengegaan hebben (zijn).I -En waar zat die ergens Slokkepier?33 -Hé?I -Waar dat hij zat.Do -Waar zat hij?34 -Waar zat Slokkepier?33 -Waar dat hij zat? Ah, waar dat hij weggestoken was hé! II -Ge zult hem niet hebben hé! (lacht)I -Maar zat hij niet in de beerput?II -In de zeekput.Do -Ik peins niet ze.II -Dat ze zeiden : “In de zeekput zit er daar een Slokkepier” tegen de kinderen, “Ge moogt ‘s avonds niet meer buiten gaan of ...”.I -Heb ge dat nog horen vertellen?34 I -Ik heb ik het nog gezegd tegen onze grote, ik zei: “Pas op, want er zit een grote hond in de kelder!” – “Laat mij een keer zien” zei hij.(Mijn vader vertelt dat ze zoiets als Slokkepier ook vertelden om kinderen van de waterputten weg te houden. We informeren nog naar de figuur Piet Zank, maar er komt geen noemenswaardige reactie.)
Beschrijving
Een man maakte zijn zoon bang door hem te vertellen dat er een grote hond in de kelder zat.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
oost-vlaams (groot-zottegem)
34I
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Grotenberge   
