Hoofdtekst
Dat was ene kleermaker en die ging in de huis (= huizen) overal naaien en mikken (= passen). Hij ging dan ook zo eens noa 'n huis en hij nam e brökske vlees met voor 't kätsje. Mè dat kätsje kwam hem 's avonds halen van Herk op Repen (= Overrepen) en dat was alted: 'miauw, miauw, miauw' van dat scherep kattegekièk (= -geschreew) en terwijl maar tegen zijn been (= benen) op strijken! Op 't laatste zeiter tegen dat kätsje: 'mè lief poeske, wa komt zje hier doen, zo wijd?' En dat kätsje bezag hem zo aardig (= vreemd) en he nam de kat op en droeg ze af, - op Repen af dan, wor - mè op 't laatste, aan de stevig ( = steenweg) werd die kat zo zwaar dat de man zei: 'ach, poeske, ich kan oech (= U) niemee hage (= houden), arm bees(t)! en he liet ze op de grond dal (= neer). En toen kwamen doa wel honderd katten en die zongen: 'Jäntsje V. heeft gezegd: Poezeke, mij minneke van waar komt gij?'
Onderwerp
SINSAG 0604 - Die vermehrten Katzen
  
Beschrijving
Een kleermaker uit Herk moest regelmatig naar Overrepen om kleren te laten passen. Op een dag nam de kleermaker wat vlees mee voor het katje van zijn klanten. Sindsdien kwam het katje de man altijd halen in Herk. Het miauwde en liep de hele tijd tegen de benen van de man aan. De man sprak tot het dier: "Hé, lief poesje, wat kom je hier doen?" en hij nam de kat op. Toen de kleermaker bijna in Overrepen was, werd de kat echter zo zwaar dat de man het dier moest neerzetten. Het volgende ogenblik stonden er wel honderd katten, die zongen: "Jantje Vranken heeft gezegd: poezeke, mijn minneke, vanwaar kom jij?"
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (tongeren en omstreken)
287
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Diets-Heur   
Plaats van Handelen
Overrepen   
Herk-de-Stad   
