Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DHERB0461_0465_25994 - Geest van dode baron keert elke nacht terug naar het kasteel

Een sage (mondeling), 1974

Hoofdtekst

Beschrijving

Een jongen die bij een boer had gewerkt, was niet tevreden met de drie stuivers die hij kreeg en vertrok. Onderweg gaf de jongen zijn geld weg aan drie alvermannetjes die hem om een aalmoes vroegen. Het derde alvermannetje had tot de jongen gesproken: "Ik zal je zeggen wie wij zijn. De eerste die je bent tegengekomen, was God de Heilige Geest, de tweede was God de Zoon en ik ben God de Vader. We hebben je op de proef willen stellen". Daarop gaf het alvermannetje de jongen een zak en zei: "Kijk, al wat je wenst, zal in deze zak terechtkomen". Toen de jongen later op de dag in een stad kwam, zag hij heerlijke krentenkoeken in het uitstalraam van een bakkerij liggen. Het volgende ogenblik zaten de koeken al in zijn zak. Even later kwam de jongen voorbij een herberg waar bier werd geschonken. Tot zijn grote vreugde vond de jongen een glas bier in zijn zak. Bij de kleermaker wenste de jongen zich een nieuw pak, een nieuwe pet en nieuwe schoenen. Dat alles belandde op mysterieuze wijze in de zak. Gekleed als een echte heer verliet de jongen de stad en ging onderdak vragen in een kasteel. Hoewel van de twaalf kamers één kamer vrij was, sprak de meid: "In die kamer mag je niet slapen, want daar spookt het. Iedereen die daar heeft geslapen, werd dood teruggevonden". Nadat de meid aan de baron toestemming had gevraagd, begeleidde ze de jongen naar de spookkamer. Ze bracht hem een stuk kip, een boterham en een kop koffie. Daarna vroeg de jongen ook nog een ladder, twee kaarsen en een spel kaarten. Om half één 's nachts zag de jongen beenderen uit de schoorsteen vallen. De beenderen begonnen te dansen en vormden vervolgens een geraamte. "Wel, wat kom jij hier doen?", vroeg het spook, "Hier mag geen levende meer overnachten!" Kalm antwoordde de jongen: "Kom, we zullen een spelletje kaart spelen". Omdat het spook bij het opnemen van de kaarten altijd met zijn nagels in de tafel kraste, zei de jongen: "Neem die kaarten wat voorzichtiger op. Wat zal de baron zeggen als hij ziet dat ik de tafel zo heb beschadigd?", waarop het spook antwoordde: "Jij leeft morgen toch niet meer! Ik ga je zo dadelijk vermoorden". Daarop trok de jongen snel zijn zak over de kop van het geraamte en begon het spook te slaan tot het vertelde waarom het moest komen spoken. Na lang aandringen sprak het spook: "Ik ben de overleden vader van de baron die hier nu woont. Omdat ik tijdens mijn leven veel mensen heb bestolen en bedrogen, moet ik nu terugkomen om te spoken. Al het geld ligt verborgen onder de stenen in de kelder". Nadat de jongen het spook had bevolen het geld te gaan halen, verdween het geraamte. Toen de jongen de volgende ochtend het geld toonde aan de baron, sprak die: "Zwijg, zwijg, je krijgt de helft van het geld", waarop de jongen antwoordde: "Ik wil niets van dat geld, en zeker niet als het verdiend werd op de manier die je vader mij uit de doeken heeft gedaan!" De jongen vertrok en koos bij een kruispunt de richting van een holle weg waar allemaal arme mensen woonden. Toen de jongen op een poort klopte, werd er opengedaan door Lucifer, die zei: "Jij mag hier niet komen!" Daarop ging de jongen terug naar het kruispunt en koos een andere weg. Omdat de mensen daar aan het bidden waren, veronderstelde de jongen dat hij bij het vagevuur was aanbeland en zei: "Hier moet ik ook niet zijn!" Opnieuw bij het kruispunt gekomen, koos de jongen een weg die omgeven was door mooie bomen en rozenstruiken. Sint-Pieter deed de poort van de hemel open en zei: "Hé, jij mag hier niet binnen! Maar God de Vader heeft wel gezegd dat ik voor jou een zetel moest klaarzetten. Jij bent toch die ene met die zak, hè? Blijf nog maar een tijdje op de wereld, want je mag nu nog niet binnen in de hemel". De jongen ging naast de poort zitten en trok de zak over zijn hoofd. Daar is hij blijven zitten tot Sint-Pieter hem kwam zeggen dat hij mocht binnenkomen.

Bron

D. Herbots, Leuven, 1974

Commentaar

7. Sprookjes
brabants (oosten)
166B
fabulaat

Naam Overig in Tekst

Heilige Pieter
Pieter (Heilige)
Lucifer

Lucifer    Lucifer   

Naam Locatie in Tekst

Halle    Halle