Hoofdtekst
23 Q -Ja maar, bij ons in mijn thuis was dat een tweewoonst hé en die mensen die nevenst ons woonden hij ôt (had) hij dochters en zoons en de oudste dochter wierd ziek en ze stierf, want ik weet daar af ik was misschien zes jaar als ze er mee gepasseerd zijn dat ze begraven wierd, d’er was nog geen acht dagen naordien (nadien) de tweede wierd ook ziek en ze zeiden tegen die man voor bij de paters te gaan en hij gaat bij de paters, want dat meisje lag al blind hé, ze zag niet meer en van ‘t moment dat hij ginder zijn beeweg deed, (ah, moeder ik zie( zei ze, ze zag, ze zag en tegen ‘s avonds was ze genezen en ‘s avonds is Ûge gekomen mee een taartje mee een kazakke aan van haren man , die man (Charles Louis De Zutter, de vader van het meisje dat gestorven was) was een kolerieke, want ge mocht er niets aan doen of hij ging ze (Ûge, de heks) doodsmijten hé zei hij. Echt gebeurd!II -En met wat komdegen (kwam ze)? Met een taartje?23 -Met een taartjen, ze zeggen dat ze moeten komen voor ‘t ontdoen hé zeiden ze in den tijd, maar de oudste dochter is er van dood ze, jaja, die is er van dood. En de tweede als ze niet en gingen, had ze het ook gehad (zou ze ook gestorven zijn). Jaja, ze was al blind. (De rest is onverstaanbaar)I -En waaraf (waarom) kwam ze thuns met dat taartje?23 -‘s Avonds kwam zij met dat taartje ze moest binnen-komen, ze moest dat komen ontdoen zeiden ze, zeiden ze hé.I -Ontdoen?23 -Die toverij ontdoen. Verstaat ge het?I -Doen stoppen? (Ik was erg verbaasd dat een heks de toverij zelf kwam ontdoen, ik dacht net dat ze kost wat kost moest proberen toch nog haar doel te bereiken en het kind weer ziek te maken)23 -En daarmee stak ze dat taartje onder het hoofdkussen. Ze ôt binnengeweest hé en met een kazakke van heuren (haar) man aan ze heeft van ze leven ...(onverstaanbaar)II -Om haar niet te kennen of zo had ze een kazakke van haar man ...? 23 -Watblieft?II -Ze ôt een kazakke van haar man aangedaan opdat ze haar niet zouden kennen?23 -Nee nee, voor dat (omdat) het wat regende zeker, zo’n toeren staken ze uit hé. Jamaar de die, die en docht (deugde) niet ze! Nee.I -En heeft ze zo ook beesten ziek gemaakt of zo?23 -Wat dat?I -Beesten ziek gemaakt, van een boer of zo?23 -Daar en weet ik niet af. JaI -En heeft die Ûge nog andere mensen ziek gemaakt, buiten dat meisje zo?23 -Nee, daar weet ik zo niet af.II -En uw thuis dat was nevens uw deur dus (dat dat zich afgespeeld heeft), dat was een tweewoonst zei ge?23 -Ja ja.II -Dat was nevenst uw deur toen dat dat gebeurd is?23 -Ja ja, dat was huis aan huis. Bij mij aan mijn deur.II -En waar woonde gij als ge jong waart?Waar was uw thuis?23 -Op de Dries. Ja hij is nog verkocht aan Vanessche.II -Dat weet ik niet ze (hoor).23 -De hostellerie weet ge hé?II -Ja.23 -Wel als ge opkomt al dezelfde kant ge hebt daar een draai, aan ....,daar ‘t eerste (huis) aan de rechterkant, dat was mijn thuis.II -En ze ôn (hadden) maar twee dochters die mensen?23 -Drie dochters en twee zoons. Drie dochters en twee zoons toch hé?24 -Ûge?23 -Nee nee, dingk, die man die zijn dochter dood was.24 -Ah ja, hoe heette hij? Charles Louis ...23 -Charles Louis De Zutter.24 -Maar Ûge ôt (had) toch maar twee dochters? 23 -Ûge ôt (had) maar twee dochters. (bevestigend)24 -Maria en Mathilde.I -En waren dat ook heksen dan?23 -Nee nee,dat was gedaan.24 -Nee, daar hebben we van ze leven niet(s) van gehoord. Nee want Marie die was wreed heet(bevriend) met ons ze kwam alle dinsdagavonden bij ons, alle dinsdagavonden kwam ze met een koppel duivehennen.23 -Van haar niet nee.24 -Ûge ôt (had) een slechte naam.23 -Jamaar ze’n docht (deugde) niet ook, in den tijd waren d’er azo hé.I -En peinsde dat dat waar is, dat dat werkelijk een heks was of niet?23 -Jamaar neen, dat waren eigenlijk toveressen hé.24 -De mensen waren d’er schou af.II -En hoe heette de die met heuren (haar) naam toen Ûge?24 -Eugénie,maar haren achternaam en weten we niet.23 -Nee. ‘k Zeg het, ik heb het van ze leven niet geweten, haar man dat was een De Muynck dat weet ik. Maar haren naam heb ik van ze leven niet geweten, want ik heb ze goed gekend ze oeioeioei!24 -Maar als ze zij kwam ...23 -Alleman was ...II -Maar ze was van hier niet ook?24 -‘k En peins niet.23 -Toet (toch wel), ze was zij wel van hier.24 -Was ze zij van Sint - Goriks?23 -Of dat ze hier geboren is dat weet ik niet, maar als ik klein was, woonde ze al in Sint - Goriks ze! ‘K Heb ik anders niet geweten als Ûge.
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
In een huis was een dochter ziek geworden en gestorven. Acht dagen later werd in die familie een andere dochter ziek. Toen het meisje al blind was geworden, ging de vader voor haar op bedevaart. Terwijl de vader weg was, kon het meisje plots weer zien. 's Avonds was het meisje genezen. Diezelfde avond kwam een toveres uit de buurt een taartje brengen. De vader mocht haar geen kwaad doen, zo hadden de paters gezegd.
De toveres moest het kwaad dat ze had aangericht, ongedaan komen maken door het taartje onder het hoofdkussen van het meisje te leggen.
De toveres moest het kwaad dat ze had aangericht, ongedaan komen maken door het taartje onder het hoofdkussen van het meisje te leggen.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (groot-zottegem)
23Q
Omstreeks 1919
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Sint-Goriks-Oudenhove   
