Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

MSOHI0177_0179_20262

Een sage (mondeling), zondag 23 november 1980

Hoofdtekst

Z: En die keer dat je zo gelopen hebt, dat dat beeldje achterliep?16: Ja, ik was toen een jongen en mijn grootmoeder woonde daar op dat hofsteetje. Er is daar nog een nieuw gebouw schuin erachter. En ja, ik woonde daar dikwijls hé, als ik daar op vakantie was of soms langer. En als ik ergens drinkgeld kreeg of het een of het ander, ja, van te horen vertellen over dat Onzeheertje, kinderen, je beeldt… je fantaseert van alles hé. En ik had daarmee zo’n medelijden en ik stak altijd mijn geld in die bus, maar dat was je geld in die bus stoppen om kaarsen te doen branden hé, maar ik deed geen kaarsen branden. Als ik ergens drinkgeld kreeg of het een of het ander, ik stak dat in die bus voor dat Onzeheertje. En op een keer, mijn metje zei tegen mij: "Waar heb je je drinkgeld gedaan?" Ik zeg: "Aan Onzeheertje gegeven." "Ja, aan Onzeheertje gegeven," zegt ze. En ik zeg: "Ja." "En je kunt dat daar niet geven," zegt ze. Ik zeg: "Toch wel." Ik zeg: "Hij heeft daar een bus." En ik zeg: "En je moet dat daar insteken, als je dat wil geven." Nu, ze zegt: "Je mag dat niet meer doen, hoor. Dat is niet daarvoor, die bus. Het is om kaarsjes te doen branden. De mensen… als de mensen kaarsen doen branden moeten ze die kaarsjes betalen. En ze steken dan dat geld, naargelang die kaarsjes kosten, in die bus. En als er één, twee of drie kochten, zoveel geld erin." Ik zeg: "Ah ja." Ja, ik was pas… ik weet niet hoor hoe oud ik zou geweest zijn, een jaar of negen zeker. Ja, ik verstond dat toen nog niet hé. Eigenlijk, waarvoor die bus… en dat je die kaarsen moest betalen, ik dacht daar niet aan. Nu, op een … zo … ja, een tijd later eens, ik ging toen altijd, voor ik moe gespeeld was met die andere gasten, die gingen naar huis maar ik ging daar altijd eerst gaan staan en een beetje lezen voor Onzeheertje. Ja, mijn metje had dat verteld dat hij een kroon gehad had… gow, heel zijn ding verteld hé, zijn lijden en allemaal en zo. En ik had daarmee medelijden en ik stond daar elke avond te lezen ervoor. En op een keer, we hadden een beetje lang gespeeld en het was zo… in het kapelletje was het toch al donker. Buiten ging dat nog maar als je in het kapelletje was het toch al donker. En als je iets lang fixeert geeft dat de indruk naar je toe te komen hé. Nu, ik weer daar gaan lezen toen de anderen weg waren en altijd gekeken naar Onzeheertje en gedacht, gedacht aan al die dingen, dat hij gevangen genomen werd en dat ze hem geslagen hadden en dat ze hem gekroond hadden en al die dingen en opeens, van altijd maar te kijken en daar altijd aan te denken, dat Onzeheertje kwam naar me toe. Maar nondedju, ik het kapelletje buiten en moord schreeuwen naar huis. En mijn peter, mijn peter was daar ergens achter het huis en hij hoorde dat en hij kwam vlug gelopen. En hij dacht, hij dacht dat er mij iemand achternazat. En zegt hij: "Wat is er, wat is er, vernt?" Ik zeg: "Dat Onzeheertje zit me achterna." En ze hebben tamelijk lang moeten spreken hoor, voor ik zo… En ik was min of meer een beetje geshockeerd, van schrik en van angst. Godverdomme, en ik voelde, ik weet nog goed, dat was een beetje mul zand en ik voelde… het was precies alsof dik niet vooruit geraakte. En gow, het was ja, al zulke dingen hé. Maar ik heb lang niet meer durven gaan hoor.Z: Peter heeft waarschijnlijk nog nooit zo rap gelopen als toen hoor.16: Ik was al een jaar of twee ouder voor ik daar weer eens ging.X: Ja, als je een kind bent…16: Dat is gow, dat is van daar altijd maar naar te kijken hé, en op de duur, het schemerde voor mijn ogen zeker, of ik weet niet wat dat was, maar dat gaf de indruk naar mij toe te komen. Verdomme, ik had toen tijd hoor.X: Ja, en in de kapel is het altijd een beetje akelig.16: Wablief?X: Ik zeg dat het altijd al een beetje raar is in een kapel.Y: Ja.16: Ja, ja, maar als je dat gewend was, lijk voor ons, wij speelden daar iedere dag en allemaal. En ik passeerde daar ik weet niet hoeveel keer ernaast hé. Dat zei ons niets hoor, dat was lijk ons huis hé. Maar had ik daar nooit zo gestaan en gekeken naar dat beeldje, ik zou nooit bang geweest zijn want ik was anders niet bang hoor. Ik ging daar ook binnengaan als het donker was hoor, gow, totdat dat gebeurd was hé. Maar dan later, ja, je verstond dan veel hé, met te verouderen.Ik ging dan ook weer binnen hoor, als ik daar passeerde. Als ik kwam van die jongens waarmee ik gespeeld had, moest ik daar iedere keer passeren, maar dat zei me toen niets meer hoor.

Beschrijving

Een kleine jongen stak zijn zakgeld altijd in een collectebus bij een Christusbeeld. Hij wist nog niet dat die bus bedoeld was om het geld voor de kaarsjes die men had gebrand, te betalen. Omdat de jongen medelijden had met Onze Lieve Heer die zoveel had geleden, ging hij 's avonds vaak bij het beeld bidden. Op een avond zat de jongen weer bij schemerdonker in het kapelletje. Op zeker ogenblik had de jongen de indruk dat het Christusbeeld naar hem toe bewoog. Doodsbang rende de jongen naar huis. Door het mulle zand had de jongen de indruk dat hij haast niet vooruit geraakte. Toen hij aan zijn familieleden vertelde wat er was gebeurd, lachten ze met hem.
Pas twee jaar later durfde de jongen opnieuw in de buurt van het kapelletje te komen.

Bron

M. Sohier, Leuven, 1982

Commentaar

5. Sagen - Legenden
west-vlaams (poperinge)
16S
Omstreeks 1921
memoraat

Naam Overig in Tekst

Onze Lieve Heertjesbos (Poperinge)    Onze Lieve Heertjesbos (Poperinge)   

Onze Lieve Heer    Onze Lieve Heer   

Naam Locatie in Tekst

Poperinge    Poperinge