Hoofdtekst
AB: "Ik weet nog een verhaaltje. Ik weet niet of ik dat vorige week al heb verteld?"
LB: "Ja, ik weet niet..."
AB: "M'n vader heeft me dat laatst verteld. D'r was een jongen, die ging altijd naar school, die moest twintig kilometer lopen naar school. En die ging altijd alleen. En in die huis, in hetzelfde huis, zat ook nog een jongetje, maar die was geest. En... gingen ze, waren ze vrienden, gingen ze spelen, voetballen samen met elkaar. Gingen ze naar school lopen. Opeens zagen ze een jager. En die schoot op konijntjes. En die van uh, weet je... 'Ik word een wolf,' zegt die geest zo tegen die jongen. Want ze waren aan elkaar gehecht, enzo, als vrienden samen spelen. 'Ik word een wolf, en dan ga ik die jager laten schrikken.' Dus hij verwisselde van gedaante, en werd een wolf en ging rennen. En die jager, die zag dat en die schoot op die wolf. Die wolf was dood. Ze zeggen dat geesten onsterfelijk zijn, maar die wolf was wel dood. Die geest dus ook. Als die geest van gedaante wisselt, is 'ie dodelijk [= sterfelijk]. Als 'ie zijn eigen gedaante houdt, is 'ie niet dodelijk [= sterfelijk]. En als je een geest ziet: of ze hebben lange oren..."
AA: "Ja."
AB: "... Of ze hebben kamelenpoten. D'r is iets anders aan hun. Ze zijn niet zoals ons dus perfect."
(Verteld op 24 november 1999 in het volksbuurtmuseum Oud Lombok, te Utrecht)
LB: "Ja, ik weet niet..."
AB: "M'n vader heeft me dat laatst verteld. D'r was een jongen, die ging altijd naar school, die moest twintig kilometer lopen naar school. En die ging altijd alleen. En in die huis, in hetzelfde huis, zat ook nog een jongetje, maar die was geest. En... gingen ze, waren ze vrienden, gingen ze spelen, voetballen samen met elkaar. Gingen ze naar school lopen. Opeens zagen ze een jager. En die schoot op konijntjes. En die van uh, weet je... 'Ik word een wolf,' zegt die geest zo tegen die jongen. Want ze waren aan elkaar gehecht, enzo, als vrienden samen spelen. 'Ik word een wolf, en dan ga ik die jager laten schrikken.' Dus hij verwisselde van gedaante, en werd een wolf en ging rennen. En die jager, die zag dat en die schoot op die wolf. Die wolf was dood. Ze zeggen dat geesten onsterfelijk zijn, maar die wolf was wel dood. Die geest dus ook. Als die geest van gedaante wisselt, is 'ie dodelijk [= sterfelijk]. Als 'ie zijn eigen gedaante houdt, is 'ie niet dodelijk [= sterfelijk]. En als je een geest ziet: of ze hebben lange oren..."
AA: "Ja."
AB: "... Of ze hebben kamelenpoten. D'r is iets anders aan hun. Ze zijn niet zoals ons dus perfect."
(Verteld op 24 november 1999 in het volksbuurtmuseum Oud Lombok, te Utrecht)
Beschrijving
Een kind had een geest als vriendje. De geest ging met hem mee naar school. Onderweg was een jager konijnen aan het schieten. De geest verandert zich in een wolf om de jager te laten schrikken, maar de jager schiet de wolf dood. Alleen als de geest een geest is, is hij onsterfelijk. Een geest kan zich nooit als een perfect mens vertonen: hij heeft dan bijvoorbeeld lange oren of een kamelenpoot.
Bron
bandopname interview (archief MI); interviewers: Theo Meder, Marie van Dijk, Louis Boumans, Lourina de Voogd
Commentaar
24 november 1999
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21