Hoofdtekst
Nen ouwen mens vertellegen mij ne keer dat er twee mensen aan “’t Vijverken” passeerdegen, ne meers in de diepte, ten twaalven van de nacht; en al mee ne keer stond diëne mies van twee vol schapen, azo groot als dat hij en was; een diepte van twee meters! En die mensen en kosten niet achteruit of niet vooruit; en al mee ne keer zei er enen: “God zij gedankt! Dat en heb ik nog nooit niet gezien!” en alle schapen waren weg! De spoken die er rond liepen waren ook weg! En ze stonden alleen voor diëne meersgas (gras), en daar had het de naam dat ’t veel toverdegen; dat er nu en dan paarden in liepen ook; ’t er was azo een hoogt in diëne meers, en dat er daar veel spoken liepen.
Beschrijving
Twee mensen die om middernacht voorbij ’t Vijverken kwamen, moesten door een weide die twee meter diep was gelegen. Plots zagen de mannen dat de weide helemaal vol schapen stond, zodat ze niet meer voort konden. Plots zei één van de mannen: “God zij dank! Dat heb ik nog nooit gezien!” Het volgende ogenblik waren alle schapen en spoken verdwenen. Die weide stond echter bekend voor de spookverschijningen die er werden waargenomen. Soms zag men er ook paarden rondlopen.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
oost-vlaams (denderstreek)
271
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Steenhuize-Wijnhuize   
Plaats van Handelen
Vijverken   
