Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

KERAR0131_0132_16557 - Betoverde hofstede

Een sage (mondeling), 1966

Hoofdtekst

’t Was daar een hofstee op de bane van Elverdinge naar Vlamertinge. Dat is op ’t gehucht "De Seule” en daar bij is er een grote boerderij die toebehoorde aan de grave de Lobbepain van Elverdinge. Maar op die hofstee was ’t ook ’t ene ongeluk achter ’t ander en al de boerne die d’erop geweest hadden, waren uitgeschud, bij dat ze wrochten of nie wrochten, dat was assan (altijd) den enen tegenslag tegen den anderen: peste, cholera, onder de beesten. De menschen mosten van ’t hof van de krotte (armoed), kwam er een nieuwe pachter, ’t was were ’t zelfste. De menschen zeien allemale: "die hofstee is betoverd, ’t zit daar een kwade geest in, een hekse, ’t kut nie anders zijn! ’t Zijn al goê werkers geweest op ’t hof en ze varen alzo”! Maar op zekere dag kwam me nonkel op da kleen hofsteetje daar rechtover. ’t Was een hofstee van één peerd. Dat behoorde ook aan de familie Lobbepain, de grave, Smith, de toezichter van de grave, liet nonkel daar beginnen boeren. De grave zelve bestatigde da nonkel een goê boer was en op zekere dag ging ie zelve naar nonkel, August Vermeersch: "Gust”, zegt’n, "’k wegen da je een goê boer zijt en je zou me moeten een voldoeninge doen, zou je gij nie willen gaan op ’t groot hof? Dat staat al zolange leeg en ’t wilt er niemand meer op”! "Ja maar menere”, zei nonkel, "je weet gij ook wel dat ze behekst is”! "Tut, tut”, zei de grave, "Gust, gaat er naar toe en je meugt boeren voor drie jaar, gratis, zonder pacht te betalen! Je kut zien wuk is wuk”. Nonkel overpeisde hem en je ging. Je mochte doen met het hof wuk dat ’n wilde en kuiste ’t op van boven tot beneen, de stallingen gewassen en alles ontsmet en je pakte toen een eerden schuttel en je dei daar een mingelinge in van perdhoorn, hoorn van ulder hoevers, met sulfer, toen daar wat petrole in en een wieke erin geleid en dan laten branden: alle deuren en vensters toegeplakt en dat laten branden. Achter al dadde is ten begun boeren. ‘k Heb vergeten te zeggen dat die hofstee "’t Hospitaalhof” noemt, omdat er daar zovele gebeurd is. Nonkel is daar op ’t laatste van de jaren achttienhonderd naar toegegaan. Z’hebben nooit niet meer tegengekomen, ’t was radikaal gedaan. Z’hebben geld gewonnen met hopen.

Beschrijving

Op de weg van Elverdinge naar Vlamertinge stond een grote boerderij waar men altijd ongeluk had. Nu eens kregen de dieren de pest, dan weer cholera of een andere ziekte. Tegenover de grote boerderij stond een klein boerderijtje dat van dezelfde eigenaar was. De man die in het kleine boerderijtje was komen wonen, kreeg op een dag bezoek van de eigenaar die zei: "Ik weet dat jij een goede boer bent. Zou jij niet in de grote boerderij willen gaan wonen? Je mag er drie jaar wonen zonder huur te betalen". Na lang aarzelen ging de man in op het voorstel. Hij poetste de boerderij van onder tot boven en ontsmette de stallen. Daarna nam hij een aarden schotel, legde er paardhoorn, hoorn van paardenhoeven en zwavel in. Vervolgens goot de man wat petroleum in de schotel en stak een wiekje in brand. De man liet het goedje helemaal opbranden terwijl alle ramen en deuren gesloten waren. Daarna heeft de man op die boerderij nooit ongeluk gehad; hij heeft er hopen geld verdiend.

Bron

K. Erard, Leuven, 1966

Commentaar

1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (ieper)
42
Einde van de negentiende eeuw
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Ieper    Ieper   

Plaats van Handelen

Vlamertinge    Vlamertinge   

Elverdinge    Elverdinge