Hoofdtekst
Ne jongen vrijde met een maske. En ze kwamen zo van Kapellen. En ineens zei hem tegen dat maske: "Ga maar al voort, ik moet nog ergens naartoe en als ge iet tegenkomt, dan gooit er maar ne grote witte zakdoek naartoe." En hij was nog maar fijn weg of daar was ne grote, zwarten hond en ze gooide die witte zakdoek. Maar als heure vrijer terug bij heur komt, ziet ze de stukken van de zakdoek nog tussen zijn tanden steken. En zij weg en ze heeft hem nooit niet meer gezien.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een jongen die samen met zijn vriendin terugkwam van Kapellen, sprak tot het meisje: "Ga maar voort. Ik moet nog ergens naartoe. Als je iets zou tegenkomen, gooi er dan een grote witte zakdoek naar". Zo gezegd, zo gedaan. Toen het meisje haar vriend zag terugkomen, zag ze dat hij de witte stukken van de zakdoek nog tussen zijn tanden had.
Bron
M. Van den Berg, Leuven, 1955
Commentaar
1.6 Weerwolven
antwerps (polders ten noorden van antwerpen)
424
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Ekeren   
Plaats van Handelen
Kapellen   
