Hoofdtekst
Vroeger was doa ene weerwolef. Doa was ene man in Könsem (= Koninksem) en ene boer van Nerem, die had een mer(rie) wa moes(t) veulen, en die ging die man roepen omdat ze nie kon veulen. Hij kwam thuis, en a(ch)ter e baan was ene hond, die kwam altijd a(ch)ter hem op. Mè hij had e mes in zijn maal (= zak). Hij zei tegen den hond: 'zje moog gelijk mich op lopen, mè as zje mich doort toucheren of anrüre (= als ge mij durft aanraken of aanroeren), dan steek ich oech (= U) dood met mij(n) mes!' Weiter (= toen hij) bekans aan 't dorep was, sprong de hond op hem - hij moes(t), wor! dat was hem opgeleg(d)! - Toen stak de man hem voor de kop bo-ter gedoop(t) was, en toen stond ene nakse (= naakte) man voor hem. Hij kende hem en he zei: 'zeg nooit niks op niemand!' Mè, van Könsem op Nerem had die hem gevolg(d).
Onderwerp
SINSAG 0822 - Werwolf getroffen (geschlagen) nimmt wieder menschliche Gestalt an (und ist erlöst oder stirbt).   
Beschrijving
Een boer uit Nerem had een merrie die een veulen moest werpen. Omdat er problemen waren, ging de boer een man uit Koninksem halen. Omdat de boer onderweg werd gevolgd door een hond, sprak hij tot het dier: "Je mag naast mij lopen, maar als je mij durft aan te raken, dan steek ik je dood met mijn mes!" Toen de man bijna in het dorp was, sprong het dier toch tegen hem op. Daarop stak de boer de weerwolf op de plaats waar hij was gedoopt. Het volgende ogenblik stond er een naakte man voor hem, die de boer smeekte om aan niemand iets te vertellen.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (tongeren en omstreken)
985
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Nerem   
Plaats van Handelen
Nerem   
