Hoofdtekst
Pastoor had e väreken geslach(t), en he wis(t) nie bohene (= waarheen) met zij(n) spek.- 'Da's niks, zei de köster, we leggen het op de kerekzolder in een kuip.'- 'Goed, zei de pastoor, doa vindt het nomand.'E beetsje ternoa ging de pastoor kieke noa zij(n) spek en he zei tegen de köster:- 'Köster, mij(n) spek mindert zo fel!' ( -Mè, dat was de koster wa aan 't spek ging, hein! - )- 'Ich weet nie wie op de kerekzolder zou komen, zei de köster, we zullen eens passen t' rop.' Mè doa kwam niemand natuurlijk! - 'Da's niks, zei de köster tegen de pastoor, ich zal hem toch krijgen!'Toen had de köster de heel heiligen van de kerek rond de kuip gezatte (= gezet), en he ging de pastoor roepen.De pastoor zag dat:- 'Dat zullen ze betalen!' zeiter, en he nam ene stek, en he houwde ze de kop af allemaal. Mè de bisschop van Maatrich(t) was dat a(ch)ter weet (ge)komen, en toen moesten de pastoor en de köster boetvaardigheid doen. De pastoor en de köster gingen op reis, en ze hadden al gegaan enen hele stoot, toen kreeg de pastoor honger. Hij zag de Köster aan 't eten...- 'Wa eets tich maar?'- 'Iet wa ich onder de baan opgeraap(t) heb.'- 'As zje het nog vindt, dan moo't (= moet ge het) mich zeggen.' ( - Mè, dat was enen darem saucies.-)Toen votsgegaan, en doa lagen pjadsvijgen (= paardevijgen).- 'Doa, meneer pastoor!'De pastoor raapte het op.- 'Ja, mè dat is pjadstr...!'-'Dat heb ich (ge)geten!' mè de pastoor at het nie. Nog verder kwamen ze aan e huiske. Ze klopten op de deur, en de pastoor vroeg ofter moogde binnekomen.- 'Wie is het?' vroeg het männeke.- 'Da pastoor van Ketsingen met zijne köster op reis.'- 'Kom maar binne dan.'Ze gingen in. - 'He(b)t zje nie honger?' vroeg het männeke.- 'Jawel, zei de pastoor, ich heb niks mee(r) (ge)geten van deze möregend.'- 'Ich heb wel boonsoep' zei 't männeke.- 'Dat heb ich gaarne' zei de pastoor.Terwijl at het männeke de soep ging halen zei de pastoor tegen de köster: - 'Treed maar op mijnen teen as ich nie te veel eet!'- 'Goed, zei de köster, as het omtrent genoeg is zal ich op oeren (= uwen) teen treden.'Het männeke kwam met de soep. Mè doa lag ene groten hond onder de tafel... De pastoor had nog maar ene leupel of twee (ge)geten, toen stond de hond rech(t) en he trièdde (= trad) de pastoor op zijne teen. De pastoor legde de leupel dal (= neer) en at niemee; hij meende dat het de köster was.Toen zegt het männeke van slapen te blijven, mè hij had maar éé(n) bed.- 'Da's niks, zei de pastoor, we zullen in de huis (= huiskamer) zitten blijven.'( - De pastoor dach(t) : dan kan ich nog aan de soep gaan!...-)Toen ging het männeke slapen en het wijfken ook.Toen zei de pastoor tegen de köster:-'Boveur (= waarom) he(b)t zje mich zo gauw op mijnen teen getreden, ich had nog maar twee leupele (= lepels) (ge)geten!'- 'Ich heb oech (= U) nie op oeren teen getreden, zei de köster, dan is het die grote hond gewees(t)! Mè, da's niks, zei de köster, ich zal oech nog ene potleupel of twie, drai gaan halen!'Mè de köster liep contrarie kamer binne. Hij zag het wijfke in het bed en hij zag de soepketel staan in de kamer. Het wijfke liet sjiete (= veesten).- 'De hoefs (= ge hoeft) zo nie te blazen, zei de köster, de soep is toch niemee warem.!'Mè het hield nie op.- 'Oh, de blus (= ge blaast) nog?!' zei de köster, en toen pakteter de potleupel met de soep en he sloeg het wijfke tegen haar achterste.Toen jonde (= werd) het wakker, en ze riep hare man: 'Wa heb ich nu (ge)kregen?!'Toen ging het männeke de pastoor roepen. Hij kwam in de kamer:- 'Fooi, Fooi! zei de pastoor, Mieke he(ef)t een indigestie, die he(ef)t te veel boonsoep (ge)geten, want de heel bonen komen terug uit, en ich heb geen gehad!'