Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

LINSSEN001401

Een sage (mondeling), vrijdag 07 september 1962

Hoofdtekst

In cafe "Aan het Proemebömke" zaten daags voor Kerstmis bij elkaar: Azenrayer Helm, Hoemelshelm, Lame Sjang en Dove-Wulm. Eerstgenoemde Azenrayer Helm was voor niets en niemand bang, want hij droeg een "sjabbeleer" (scapulier) waarvoor zelfs het ergste spook bang was.
In de Duvelskoel, waarin de Moes verzonken was, (zie verhaal 14 [hernummering Collectie Linssen, verslag 13, verhaal 1]) ) begon het water in de Kerstnacht evenals in de Paasnacht te bruisen en te spoken. Als iemand in de nachten tussen twaalf en één uur er naar toe ging en zeven kruisen sloeg, kon de Moes er uit gered worden.
Een weddenschap werd aangegaan (een fles brandewijn). Helm moest het bewijs leveren dat hij er geweest was. Dat bewijs was een tak essenhout, dat nergens anders groeide dan bij de Duvelskoel.
Langs de "Muiterd" zou hij naar de Duvelskoel gaan. Op de vijfsprong beleefde Helm zijn eerste avontuur.
Plotseling werden twintig zoeklichten op hem gericht; achter elk paar lichten schemerde iets wits: "De witte wiever uit het Hammerveld" flitste het door zijn hoofd. Ze zich in katten veranderd. Ze klauwden en beten hem om er razend van te worden. Hij sprong naar het kruispunt der wegen dat onder water stond. Toen lieten de katten los. Hij begon met zijn mispele stok in het water te slaan. Hij richtte de waterstralen eerst op de heuvelkatten; vier lichten gingen uit, toen op de andere katten van de andere wegen, tot alle lichten gedoofd waren. De katten waren verdwenen; Hij vervolgde zijn weg, ofschoon hij graag naar het "Proemebömke" zou zijn teruggekeerd. Maar dan had hij zijn weddenschap verloren en zou bovendien uitgelachen worden.
Hij liep verder naar de Muiterd in het Paalderse Veld. Daar hield zich een zwarte hond op met gloeiende tong, tanden en halsband. Hij sprong op Helmus af. Hij had geen tijd om zijn scapulier te trekken. De hond beet zijn mispele stok in stukken. Toen vloog hij op zijn keel af, maar Helmus nam zijn pruim, gooide die in het gloeiende keelgat van de zwarte! Het was alsof er een wonder gebeurde. De zwarte droop af en rende weer de Muiterd in.
Opeens hoorde Helmus het gebruis van kolkend water. De "Duvelskoel is in beweging" dacht hij. Even het land van Coenelewie voorbij zag hij ineens een flauw licht en was plotseling omringd door alle kroddels (padden) uit de "Mintespoul". Ze spuwden en braakten. De stank benam hem de adem.
Nog was Helm niet aan het einde van zijn beproevingen.
Plotseling ziet hijvanuit de "Spiek" de vuurman op hem afkomen. Helm, die het op een lopen gezet had, minderde vaart en riep: "Zijt gij van God of van de duivel?" Met een grafstem als van een oveleden oude man kwam het antwoord: "Ik moet hier blijven dwalen",. tot herlegd zijn alle palen".
Helm begreep het. Een halve pas binnen de voor wees hij naar de grond. Heftig zweefde de vuurman heen en weer. Dat betekende "neen". Toen nog een helve pas. De vuurman vloog met korte rukjes op en neer. Dat was "ja". Helm maakte een streep met zijn klomp en zei: "Het komt in orde". De vuurman deinde weg. Helm stond bij zijn eigen stuk land! Was dat dan de stem van zijn vader? Neen! Daar herinnerde hij zich plotseling uit zijn prille jeugd; de stem van zijn "beste vader" (grootvader).
Maar nog was het leed niet geleden.
Plotseling sprong hem de weerwolf op de rug. Hij klemde zijn voorpoten op de borst van Helm om te voorkomen dat hij zijn scapulier kon uithalen. Bij het huis van Godschmitz, waar nog licht brandde, liet de weerwolf hem los. Goldschmitz was nog zo laat op omdat hij waakte bij een koe die op kalven stond. Helm vertelde al zijn ervaringen van die nacht. Hij bleef er slapen. Maar begrijpelijk is dat hij die nacht de "maar" (nachtmerrie) heeft gereden.
De palen zijn later door hem herlegd geworden en de fles brandewijn heeft hij, zoals beloofd, met zijn vrienden in het "Proemebömke" leeggedronken.
Het gebeurde later maar zelden dat hij in de late avond naar huis moest. Maar àls dit het geval was vroeg hij een vertrouwd persoon: "Bring mich noa heim!" (breng mij naar huis).

Beschrijving

Verhaal met elementen als middernacht, witte wieven als katten, zwarte hond als duivel, vuurman, grenspaalverlegger, weerwolf, nachtmerrie.

Bron

Collectie Linssen, verslag 14, verhaal 1 (Archief Meertens Instituut)

Naam Overig in Tekst

Aan het Proemebömke    Aan het Proemebömke   

Azenrayer Helm    Azenrayer Helm   

Duvelskoel    Duvelskoel   

Moes    Moes   

Goldschmitz    Goldschmitz   

Plaats van Handelen

Herckenbosch    Herckenbosch