Hoofdtekst
JB: Jaap Brand (interviewer)
V1: Verteller 1
V2: Verteller 2
JB: ..gewoontes [..]
V2: Ja, die gewoontes, koelsjtamp en dergelijke soorten […]
V1: Ja, koelsjtamp, een.. een bepaald ritueel, ehm.. In meerdere beroepen, waar wel iemand op een of andere manier me.. u kunt het vergelijken met de ontgroening bij de studenten, ehm.. werd dan wel toegepast, ja. Over het algemeen eh.. minder in de pijler, waar veel mensen werken, als op een post waar een man of drie, vier bij elkaar zijn. En wanneer daar een nieuweling verschijnt en ehm.., nou ja, men vindt dat die er eens tussen genomen moet worden, dan krijgt die duidelijk gemaakt eh.. dat die de koelsjtamp moet hebben, dat die anders geen volwaardig mijnwerker is. En dan wordt die verzocht om ehm.. voorover gebukt te gaan staan en dan houden ze de panschop, dat is die.. die grote schop waar ze die kolen mee wegwerken, die houden ze tegen zijn achterwerk en dan met een zware hamer wordt daar een behoorlijke slag gegeven door iedereen op die post. Dat is dus een man of drie. Ja, dat zou je inderdaad een stukje folklore, een stukje traditie kunnen noemen.
Evengoed als het de gewoonte was om de studenten van Delft, die eh.. in de vakantie hun stage in de mijn moesten lopen, omdat ze een stuk praktische ervaring moesten hebben, om die met de meest dwaze boodschappen van de ene post naar de andere te sturen om iets te gaan halen wat helemaal niet bestond en waarbij de andere groep dan meteen in de gaten had wat het was en hem met een of ander zwaar stuk materiaal liet sjouwen. Hè.
Eh.. evengoed als het feit dat wanneer een houten stijl te kort was, men tegen zo’n nieuweling zei: “Nou, dan rol die maar eens zolang over de grond op en neer totdat die lang genoeg is.” En dan waren er altijd mensen die dachten dat dat lukte en die zaten dan een uurtje met zo'n houten stijl te rollen [lachend] om hem vijf centimeter langer te krijgen.
Ik geloof dat dat de gein is die je in.. in veel beroepen tegenkomt en dat is wel het prettige dat de mijnwerker over het algemeen eh.. wel van lol hield en aan heel wat dingen aangreep, ook ondergronds bij de ernst van het werk, om een stukje flauwekul te maken. Al was het maar ehm.. bij een opbraak, dat is zo.. zo'n tussenschacht en eh.., vooral in de tijd dat telefoons er nog niet of zeer sporadisch waren, hing in zo'n opbraak van dertig of veertig meter, hing een.. een leiding waar je door kon praten, hè, waar je door kon roepen. En dan zaten we boven aan die opbraak de boterham te eten en dan had.. was iemand zich.. was binnensmonds bezig zo van: “Hallooo!”. En dan zeiden ze tegen mij als jongste: “Hé, daor is eine aan de buus.” Nou, dan ging je aan de buis en dan begon je “hallo” te roepen en beneden was niemand. Nou, en dat was dan natuurlijk eh.. een enorm plezier. Of je had de gereedschapskist, dat was een kist zo van een meter of twintig, m’ja.. vijftig bij vijftig, waar de mensen die eh.. onderhoudswerk moesten doen, die hadden daar hun gereedschap in. En daar hoorde dan een.. een boorhamer of een afboorhamer bij, of wat dan ook, en slangen en sleutels en dergelijke. En die sloot die af. En eh.. op die kist werd zich ook neergezet om de boterham te eten. En dan was het wel de gein om bijvoorbeeld in die kist, waar zo'n boorhamer lag, om die.. die kist open te breken, die boorhamer aan te sluiten op de luchtslang en dan, als die vent op die kist zat, een stukje verderop die luchtslang op de leiding aan te sluiten, zodat plotseling onder die kerel dat ding begon te rammelen. En zo waren d’r meer van die geintjes.
Eh.. ja, met paarden, dat heb ik zelf niet meegemaakt, maar ik heb diverse mensen gesproken die met paarden gewerkt hebben ondergronds. Nou, daar werd nogal wat mee uitgehaald. Niet in.. in de negatieve zin, want die dieren werden enorm goed verzorgd, maar die waren van de andere kant zo verstandig dat eh.. ze bijvoorbeeld wisten dat je m.. maar zes wagens kon trekken. En als het nou eens nodig was om zeven wagens te trekken, dan.. dan vertikte dat paard dat, want dat voelde zes stoten. En dan kwam de zevende stoot en dan bleef die staan. Ja, daar moest je iets op vinden. Daar werd tussen twee wagens werd een stukje hout geslagen, zodat die in één keer in beweging kwamen, dan was het maar één stoot en zo van die geintjes meer. En eh.. [lacht] ja, dat.. dat kun je ook zeggen van, hoe wist men zich te redden.
V1: Verteller 1
V2: Verteller 2
JB: ..gewoontes [..]
V2: Ja, die gewoontes, koelsjtamp en dergelijke soorten […]
V1: Ja, koelsjtamp, een.. een bepaald ritueel, ehm.. In meerdere beroepen, waar wel iemand op een of andere manier me.. u kunt het vergelijken met de ontgroening bij de studenten, ehm.. werd dan wel toegepast, ja. Over het algemeen eh.. minder in de pijler, waar veel mensen werken, als op een post waar een man of drie, vier bij elkaar zijn. En wanneer daar een nieuweling verschijnt en ehm.., nou ja, men vindt dat die er eens tussen genomen moet worden, dan krijgt die duidelijk gemaakt eh.. dat die de koelsjtamp moet hebben, dat die anders geen volwaardig mijnwerker is. En dan wordt die verzocht om ehm.. voorover gebukt te gaan staan en dan houden ze de panschop, dat is die.. die grote schop waar ze die kolen mee wegwerken, die houden ze tegen zijn achterwerk en dan met een zware hamer wordt daar een behoorlijke slag gegeven door iedereen op die post. Dat is dus een man of drie. Ja, dat zou je inderdaad een stukje folklore, een stukje traditie kunnen noemen.
Evengoed als het de gewoonte was om de studenten van Delft, die eh.. in de vakantie hun stage in de mijn moesten lopen, omdat ze een stuk praktische ervaring moesten hebben, om die met de meest dwaze boodschappen van de ene post naar de andere te sturen om iets te gaan halen wat helemaal niet bestond en waarbij de andere groep dan meteen in de gaten had wat het was en hem met een of ander zwaar stuk materiaal liet sjouwen. Hè.
Eh.. evengoed als het feit dat wanneer een houten stijl te kort was, men tegen zo’n nieuweling zei: “Nou, dan rol die maar eens zolang over de grond op en neer totdat die lang genoeg is.” En dan waren er altijd mensen die dachten dat dat lukte en die zaten dan een uurtje met zo'n houten stijl te rollen [lachend] om hem vijf centimeter langer te krijgen.
Ik geloof dat dat de gein is die je in.. in veel beroepen tegenkomt en dat is wel het prettige dat de mijnwerker over het algemeen eh.. wel van lol hield en aan heel wat dingen aangreep, ook ondergronds bij de ernst van het werk, om een stukje flauwekul te maken. Al was het maar ehm.. bij een opbraak, dat is zo.. zo'n tussenschacht en eh.., vooral in de tijd dat telefoons er nog niet of zeer sporadisch waren, hing in zo'n opbraak van dertig of veertig meter, hing een.. een leiding waar je door kon praten, hè, waar je door kon roepen. En dan zaten we boven aan die opbraak de boterham te eten en dan had.. was iemand zich.. was binnensmonds bezig zo van: “Hallooo!”. En dan zeiden ze tegen mij als jongste: “Hé, daor is eine aan de buus.” Nou, dan ging je aan de buis en dan begon je “hallo” te roepen en beneden was niemand. Nou, en dat was dan natuurlijk eh.. een enorm plezier. Of je had de gereedschapskist, dat was een kist zo van een meter of twintig, m’ja.. vijftig bij vijftig, waar de mensen die eh.. onderhoudswerk moesten doen, die hadden daar hun gereedschap in. En daar hoorde dan een.. een boorhamer of een afboorhamer bij, of wat dan ook, en slangen en sleutels en dergelijke. En die sloot die af. En eh.. op die kist werd zich ook neergezet om de boterham te eten. En dan was het wel de gein om bijvoorbeeld in die kist, waar zo'n boorhamer lag, om die.. die kist open te breken, die boorhamer aan te sluiten op de luchtslang en dan, als die vent op die kist zat, een stukje verderop die luchtslang op de leiding aan te sluiten, zodat plotseling onder die kerel dat ding begon te rammelen. En zo waren d’r meer van die geintjes.
Eh.. ja, met paarden, dat heb ik zelf niet meegemaakt, maar ik heb diverse mensen gesproken die met paarden gewerkt hebben ondergronds. Nou, daar werd nogal wat mee uitgehaald. Niet in.. in de negatieve zin, want die dieren werden enorm goed verzorgd, maar die waren van de andere kant zo verstandig dat eh.. ze bijvoorbeeld wisten dat je m.. maar zes wagens kon trekken. En als het nou eens nodig was om zeven wagens te trekken, dan.. dan vertikte dat paard dat, want dat voelde zes stoten. En dan kwam de zevende stoot en dan bleef die staan. Ja, daar moest je iets op vinden. Daar werd tussen twee wagens werd een stukje hout geslagen, zodat die in één keer in beweging kwamen, dan was het maar één stoot en zo van die geintjes meer. En eh.. [lacht] ja, dat.. dat kun je ook zeggen van, hoe wist men zich te redden.
Beschrijving
Verteller spreekt over ontgroening in de mijnen, de koelstamp, en grappen die mijnwerkers met elkaar uithaalden. Ook de paarden werden voor de gek gehouden.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Commentaar
- Verteller onbekend. VODA_043_01 t/m 15 worden verteld door dezelfde persoon. Hij werkte vanaf 1940 in de kolenmijn.
- Verteller vertelt in VODA_043_02 dat hij in staatsmijn Maurits (Lutterade, Geleen) werkte. Lutterade, Geleen is daarom telkens aangehouden als lokatie.
- Datum van opname is onbekend. De opgegeven datum is hoogstwaarschijnlijk de datum waarop het verhaal is uitgezonden op de radio. Het verhaal moet dan vóór 25 juli 1973 zijn opgenomen.
- Verteller vertelt in VODA_043_02 dat hij in staatsmijn Maurits (Lutterade, Geleen) werkte. Lutterade, Geleen is daarom telkens aangehouden als lokatie.
- Datum van opname is onbekend. De opgegeven datum is hoogstwaarschijnlijk de datum waarop het verhaal is uitgezonden op de radio. Het verhaal moet dan vóór 25 juli 1973 zijn opgenomen.
Naam Locatie in Tekst
Delft   

