Hoofdtekst
'k Ga U nog één verhaal vertellen over twee jonge mensen, die mijn grootmoeder - toen ook nog jong - goed heeft gekend.
Kort bij den Hazelarenhoek lopen in de buurt van de Koestraat op een donkeren avond een jongen en een meisje, een paartje, op weg naar de boerderij waar het meisje diende.
't Was een beetje vreemde stille jongen, zei grootmoeder en wij begrepen eigenlijk niet wat het meisje in hem zag. Maar goed, ieder moet z 'n eigen keus doen!
Kort bij een donker wegje gekomen, vraagt de jongen haar even alleen te willen doorlopen; hij komt zo wel achteraan.
Even later hoort het meisje tussen de heg een geritsel en ziet ze een grote zwarte hond op haar afkomen, die haar wil bespringen. Gillend vliegt ze vooruit en slaat met haar zijden schortje dat ze voor heeft naar het dier, dat toch afdeinst.
Ze is al op de boerderij, waar ze hevig geschrokken het verhaal vertelt aan de boerin, tot even later ook haar vrijer binnenkomt.
"Kom,", zegt hij, "g'hebt je zeker bang gemaakt, 't zal wel zo 'n groot beest niet zijn geweest."
Dan - ze kijkt hem aan - ziet ze bij het onzekere licht van de petroleumlamp die in de keuken hangt - flarden van haar zijden schortje tussen de tanden van haar vrijer zitten, waardoor ze zo schrikt dat ze flauw valt.
De boer, die er nu ook is bijgekomen grijpt de knaap, die wil weglopen, in z'n kraag en vraagt hem wat dit alles te beduiden heeft.
Het meisje komt intussen bij en vol afschuw wendt ze zich van de jongen af.
Wees maar gerust, zegt de boer, we zullen dat alles doen onderzoeken en stuurt de jongen naar huis.
De andere dag spreekt de boer hierover met de Pastoor, die hem naar de Paters in Dendermonde verwijst.
Om kort te gaan, een van de Paters is naar Koewacht gekomen en heeft bij de boer aan huis eerst met het meisje en daarna met de jongen gepraat.
Daarop heeft de Pater in aller bijzijn een soort van bezwering uitgesproken, waarop de jongen wenend op zijn kniën is gevallen en de Pater heeft bekend, dat hij op een bepaalde plaats een huid van een grote zwarte hond had verborgen. Wanneer hij deze plaats passeerde moest hij deze huid omslaan en zich als een soort weerwolf aan anderen vertonen!
Hij voelde zich nu verlost van deze boze geest of duivel, zei grootmoeder en de jongen en het meisje, wier namen grootmoeder wel kende, maar die ik liever voor Uw verhaal verzwijg, zijn een tijdje later toch met elkaar getrouwd en nimmer meer heeft men iets vernomen van zijn vreemde streken.
Zie, meneer, dat is alles wat ik mij op dit ogenblik goed weet te herinneren, maar U merkt wel, dat ook op Koewacht, net als op andere plaatsen, vroeger nog al 't een en ander is voorgevallen.
Maar hoe mooi grootmoeders verhalen ons als kinderen in de oren klonken, meen niet, dat we er ook werkelijk ooit geloof in hebben gehad.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
SINSAG 0805 - Werwolf in Hundesgestalt als Begleiter (verrädt sich am folgenden Tag).   
SINSAG 0945 - Andere Begegnungen mit dem Teufel.   
SINSAG 0824 - Die verbrannte Haut (Gurt, Halsband)   
Beschrijving
Bron
Naam Overig in Tekst
Hazelarenhoek   
Koestraat   
Naam Locatie in Tekst
Koewacht   
Dendermonde   
Plaats van Handelen
Koewacht   
