Hoofdtekst
EEN "DUVELTJE UIT EEN DOOSJE."
Op zekeren dag, lang heel lang geleden komt een boerenknecht, Virus geheten, die in de buurt van Graauw van zijn werk terugkeert een vreemde leurster tegen, die hem met alle geweld wat uit haar marsje wil verkopen.
"Och, vrouwtje," zegt hij, "'k heb zo weinig te missen en 'k heb bovendien aan Uw snuisterijen geen gebrek."
"Kom," zegt ze, "'k ga het goed met jou maken, voor één halve cent krijg je van mij een "duveltje in een doosje". Maar denk eraan, ge moogt het niet eer openmaken voor ge thuis zijt en vooral, lees het briefke goed na, dat er in zit!"
Hij geeft haar de halve cent en gaat verder. Hij kijkt nogeens om naar het toch wel vreemde vrouwtje, maar tot zijn verwondering ziet hij op de vlakke weg geen spoor meer van haar.
Thuisgekomen doet hij het doosje open en volgens bekend recept springt met een veertje het duveltje omhoog. Ook dwarrelt er een papiertje uit, waarop staat te lezen: "Verzorg mij goed en maak me elke 14 dagen schoon!"
"Nou ja," denkt hij, "d 'as wel goed!" Als hij na 14 dagen het hele doosje is vergeten valt dit plotseling uit een kastje en voelt hij in zijn nek een geduchte slag.
Zijn oude moeder, een weduwe, waar hij bij inwoont maakt zich bang. Ze zegt hem het ding weg te gooien, maar dat doet hij toch niet.
En wonderlijk genoeg, de jongen, tot dusverre braaf en gewillig voor iedereen, wordt moeilijk voor zijn moeder en voor ieder ander waar hij mee in aanraking komt.
Hij maakt nu geregeld om de 14 dagen het duveltje schoon en wat voor zijn moeder heel erg is: hij verzaakt hoe langer hoe meer zijn kerkgang. Zijn oude moeder trekt zich dit sterk aan, ze gaat kwijnen en vraagt om de Pastoor. Toevallig is op Graauw een Pater aanwezig, iemand uit de eigen gemeente afkomstig. Hij ziet wel dat de vrouw het slecht maakt en dient haar de Heilige Sacramenten toe, maar de zoon keert zijn rug naar z'n stervende moeder.
"Virus, jongen", zegt de Pater als de vrouw juist is gestorven "toe, laten wij eens met elkaar praten, wat bezielt je toch in Godsnaam?"
Maar nog steeds volhardt Virus in zijn starre houding.
"Jongen", zegt de Pater, "gelooft ge nog ja of neen. Zo niet, dan weet ik zeker dat je moeders dode hoofd zich nog éénmaal zal omkeren."
En zowaar, meneer, beweegt het dode hoofd van de moeder zich in de richting van haar zoon, waarop deze eindelijk schreiend neervalt en roept: "God zij geloofd, Moeder", ik ben nu verlost van de boze geest die mij zo lang heeft bezeten en die mij dwong mijn geloof en mijn moeder te verzaken.
Op zekeren dag, lang heel lang geleden komt een boerenknecht, Virus geheten, die in de buurt van Graauw van zijn werk terugkeert een vreemde leurster tegen, die hem met alle geweld wat uit haar marsje wil verkopen.
"Och, vrouwtje," zegt hij, "'k heb zo weinig te missen en 'k heb bovendien aan Uw snuisterijen geen gebrek."
"Kom," zegt ze, "'k ga het goed met jou maken, voor één halve cent krijg je van mij een "duveltje in een doosje". Maar denk eraan, ge moogt het niet eer openmaken voor ge thuis zijt en vooral, lees het briefke goed na, dat er in zit!"
Hij geeft haar de halve cent en gaat verder. Hij kijkt nogeens om naar het toch wel vreemde vrouwtje, maar tot zijn verwondering ziet hij op de vlakke weg geen spoor meer van haar.
Thuisgekomen doet hij het doosje open en volgens bekend recept springt met een veertje het duveltje omhoog. Ook dwarrelt er een papiertje uit, waarop staat te lezen: "Verzorg mij goed en maak me elke 14 dagen schoon!"
"Nou ja," denkt hij, "d 'as wel goed!" Als hij na 14 dagen het hele doosje is vergeten valt dit plotseling uit een kastje en voelt hij in zijn nek een geduchte slag.
Zijn oude moeder, een weduwe, waar hij bij inwoont maakt zich bang. Ze zegt hem het ding weg te gooien, maar dat doet hij toch niet.
En wonderlijk genoeg, de jongen, tot dusverre braaf en gewillig voor iedereen, wordt moeilijk voor zijn moeder en voor ieder ander waar hij mee in aanraking komt.
Hij maakt nu geregeld om de 14 dagen het duveltje schoon en wat voor zijn moeder heel erg is: hij verzaakt hoe langer hoe meer zijn kerkgang. Zijn oude moeder trekt zich dit sterk aan, ze gaat kwijnen en vraagt om de Pastoor. Toevallig is op Graauw een Pater aanwezig, iemand uit de eigen gemeente afkomstig. Hij ziet wel dat de vrouw het slecht maakt en dient haar de Heilige Sacramenten toe, maar de zoon keert zijn rug naar z'n stervende moeder.
"Virus, jongen", zegt de Pater als de vrouw juist is gestorven "toe, laten wij eens met elkaar praten, wat bezielt je toch in Godsnaam?"
Maar nog steeds volhardt Virus in zijn starre houding.
"Jongen", zegt de Pater, "gelooft ge nog ja of neen. Zo niet, dan weet ik zeker dat je moeders dode hoofd zich nog éénmaal zal omkeren."
En zowaar, meneer, beweegt het dode hoofd van de moeder zich in de richting van haar zoon, waarop deze eindelijk schreiend neervalt en roept: "God zij geloofd, Moeder", ik ben nu verlost van de boze geest die mij zo lang heeft bezeten en die mij dwong mijn geloof en mijn moeder te verzaken.
Onderwerp
SINSAG 0945 - Andere Begegnungen mit dem Teufel.   
Beschrijving
Door het verzorgen van een duiveltje in een doosje komt man in de macht van het kwade; verlossing nadat hij aangeeft nog te geloven.
Bron
Collectie De Vries, verslag 24, verhaal 6 (Archief Meertens Instituut)
Naam Overig in Tekst
Godsnaam   
Naam Locatie in Tekst
Graauw   
Plaats van Handelen
Graauw   
