Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

TINNEV034 - Dwaaslichtjes

Een sage (boek), 1944 - 1947

Hoofdtekst

23. DWAASLICHJES
Dwaaslichjes zun ziele van ongedeupte kindere.
Die gaon ien de Bèèkse hei op en neer.
Op een kier wol een man een pead nog de wei ienbrenge. Onderweg ginge twee dwaaslichjes op de haam van 't pead zitte. Toe de man bi'j een plas kwam wol hi'j die deupe. Hi'j had motte zegge: "Ik deup ow allemaol". Mao hi'j deupe ze één veur één. At hi'j der een gedeup had, dan kwamme de wel tien bi'j. Steeds mao meer. 's Marges vonne ze de man dood ien 't water. De lichies harren um ien 't water gedruk deur eur grote aantal.

Onderwerp

TM 4905 - Dwaallichten (stalkaarsen)    TM 4905 - Dwaallichten (stalkaarsen)   

Beschrijving

Dwaallichtjes zijn zielen van ongedoopte kinderen. Zij dwalen rond over de heide. Als een man zijn paard in de wei wil gaan zetten, gaan er twee dwaallichtjes op zijn paard zitten. Hij loopt voorbij een plas water en wil daarin de dwaallichtjes dopen. Maar er komen steeds meer dwaallichtjes bij, die ook gedoopt willen worden. Door hun grote aantal verdrinkt de man.

Bron

Vertellers uit de Liemers samengesteld door A. Tinneveld, Wassenaar 1976, p.46-47.

Commentaar

c.1946

Naam Locatie in Tekst

Beek [de Beekse heide]    Beek [de Beekse heide]