Hoofdtekst
Erwtenroeleke
Wie niet spinnen of bakken kon, was Erwtenroeleke, die op Kasteren woonde. In dit oeroude overdommelse gehucht stonden sinds 1902 twee lantaarnpalen.
Hannes Waggel, die niet recht vooruit lopen kon en bij de gemeente werkte, had ze er mee helpen neerzetten. De ene paal stond bij het houten brugske, vlakbij de grote sluis en de andere paal stond bij de molenburg. Zo'ne paal was ongeveer twee meter hoog. Meer niet.
Bovenaan de paal zat een kistje, een glazen kistje met een glazen deurke en een schuin dakje. Op dit dakje stond een gerimpeld hoedje met kleine gaatjes en in het kistje zat een bronolielampke. Elke avond, tussen licht en donker, stak Grard van Rijsingen, als het nodig was, 't lampke met een lucifer aan. Met een leerke kroop hij naar het kistje, maakte het deurke open, poetste met 'nen ouwe tod de geblakerde ruitjes, deed wat bronolie in 't lampke, stak het lampke aan, sloot het deurke en kroop weer naar beneden. Waaide het, dan danste het vlamke van het lampke en hoesde het hoedje van het kistje.
's Avonds rond 'n uur of tien, als de wind 't niet had uitgeblazen, doofde Grard, de Liempdse lampenist, het vlammetje, waarna Kasteren zich hulde in de diepste duisternis.
Wie ook ooit 't vlammeke uitblies, was Erwtenroeleke. Dit alleraardigst mênneke had een punthoofd, een bocheltje, twee kromme beentjes en tien rode vlekjes in zijn gezicht. Hij woonde in een van de lantaarnpalen. Krêk onder het glazen kistje had hij z'n nestje, dat gemaakt was van overjarige erwten, die met leem en dommelgerei aan mekaar gekit waren.
"Es ge oew oor hil lochtjes tegen de lantêrnpaol aonlin, kos-te Erwtenroeleke heuren, want es ie goei zin ha, din ie soezen en droezen. Of 't mos zên, dê iemes mi z'nen klomp tegen de lantêrn aonskupte. Dan waar ie neutelijk en din ie brommen en toorzen", vertelde Kulhannes.
Wie niet spinnen of bakken kon, was Erwtenroeleke, die op Kasteren woonde. In dit oeroude overdommelse gehucht stonden sinds 1902 twee lantaarnpalen.
Hannes Waggel, die niet recht vooruit lopen kon en bij de gemeente werkte, had ze er mee helpen neerzetten. De ene paal stond bij het houten brugske, vlakbij de grote sluis en de andere paal stond bij de molenburg. Zo'ne paal was ongeveer twee meter hoog. Meer niet.
Bovenaan de paal zat een kistje, een glazen kistje met een glazen deurke en een schuin dakje. Op dit dakje stond een gerimpeld hoedje met kleine gaatjes en in het kistje zat een bronolielampke. Elke avond, tussen licht en donker, stak Grard van Rijsingen, als het nodig was, 't lampke met een lucifer aan. Met een leerke kroop hij naar het kistje, maakte het deurke open, poetste met 'nen ouwe tod de geblakerde ruitjes, deed wat bronolie in 't lampke, stak het lampke aan, sloot het deurke en kroop weer naar beneden. Waaide het, dan danste het vlamke van het lampke en hoesde het hoedje van het kistje.
's Avonds rond 'n uur of tien, als de wind 't niet had uitgeblazen, doofde Grard, de Liempdse lampenist, het vlammetje, waarna Kasteren zich hulde in de diepste duisternis.
Wie ook ooit 't vlammeke uitblies, was Erwtenroeleke. Dit alleraardigst mênneke had een punthoofd, een bocheltje, twee kromme beentjes en tien rode vlekjes in zijn gezicht. Hij woonde in een van de lantaarnpalen. Krêk onder het glazen kistje had hij z'n nestje, dat gemaakt was van overjarige erwten, die met leem en dommelgerei aan mekaar gekit waren.
"Es ge oew oor hil lochtjes tegen de lantêrnpaol aonlin, kos-te Erwtenroeleke heuren, want es ie goei zin ha, din ie soezen en droezen. Of 't mos zên, dê iemes mi z'nen klomp tegen de lantêrn aonskupte. Dan waar ie neutelijk en din ie brommen en toorzen", vertelde Kulhannes.
Beschrijving
Erwtenroeleke is een plaaggeest, huizend in een lantaarnpaal
Bron
Roger van Laere, KULHANNES, Liempde 1992, 11
Commentaar
voor 1992
Naam Overig in Tekst
Erwtenroeleke   
Hannes Waggel   
Liempdse   
Grard van Rijsingen   
Naam Locatie in Tekst
Kasteren   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
