Hoofdtekst
Veel boeren, goeie en kwaaie, hadden bij hun gedoentje voor hun vee en zichzelf 'ne waterput. De een had ne rosse put, dat wil zeggen 'ne put van zooien, de andere 'ne put met een houten putkuip. De meeste boeren echter bezaten 'nen stenen put met glashelder, grauwblauw of roestbruin water.
"Ge hád putten mi 'ne goeie wèl en helder waoter en d'r waren d'r ôk mi rillek waoter. Dè waar gètâchtig. Es ge dê waoter in 'nen moor dint koken, sloeg-ie aon. De moor wier d'r klêiner af", vertelde Kulhannes, die zelf 'ne waterput had met schoon helder water, waar zijn zuster goeie erwtensoep van koken kon. De put van Kulhannes was rond, had een stenen kuip, een houten mik en lag 'ne stap of tien van de staldeur af.
Volgens Kulhannes lag heel vroeger de waterput van veel boeren en andere mensen voor de voordeur. Dit was, omdat er toen buiten Liempde nogal wat lieden woonden die, als de boer van huis was, kwamen stelen. Van alle kanten kwamen ze. Uit Den Bosch, Schijndel, Oss en van nog wijer. Soms waren ze met z'n tweeën of drieën, maar het gebeurde ook, dat ze met acht man tegelijk het roverspad bewandelden en dat d'n ene 'ne zak bij zich droeg en d'n andere niks. Deze brutale dieven haalden van alles weg. Ze grepen ooit het spek uit de pekel, de aardappelen uit de kelder, de worst uit de schouw en het koren van de zolder. Het is ooit gebeurd, dat de snoodaards bij 'nen boer, die naar de nachtmis was, een heel varken uit de kuip hadden gevat en zonder iets te zeggen, hadden meegenomen.
Er werd beweerd, dat veel dieven, zonder te kloppen, door de voordeur naar binnen gingen. Om door de voordeur binnen te kunnen komen, graasden ze ergens 'n stevig lang stuk hout weg en beukten ermee tegen de voordeur aan. Of ze namen een rad van een oude kar en reden er mee met duivels geweld tegen de deur aan. De dieven stonden dan nogal 'ns gauw in het voorhuis, waarna ze grepen, wat ze hebben wilden. "Zo waar 't krêk", zei Kulhannes, die meende, dat daarom vroeger de boerenmensen de waterput vóór de voordeur hadden gelegd. Hierdoor konden de dieven met hun hout of karrad niet op de deur afstormen. Binnenkomen deden ze echter toch. Misschien dan wel niet door de voordeur, maar wel langs het staldeurke of 'n ander gat van de boerderij.
Een mênneke, dat op een diefke leek, maar nooit iets wegnam, was Putpikoe. Een venijnig, sluw prulmênneke, met grijperige vingers en vliezige tenen. "Het mênneke mi d'n haok", werd hij ook wel genoemd. Putpikoe woonde in deze of gene waterput, onder andere in de waterput van Kulhannes op Den Berg. In de grillige gaten van de modderige bodem sliep hij onder enkele rotte bladeren.'s Nachts en vele uren overdag sliep hij. Kwamen er echter kinderen in de buurt van de waterput, dan werd hij wakker, onrustig en kroop hij, naarmate de kinderen dichterbij kwamen, met felle bewegingen omhoog.
Dit wist Kulhannes. Daarom mochten de kinderen niet te dicht bij de put komen en zeker niet over de rand van de put kijken. Deden ze dit toch, dan liepen ze groot gevaar, want de sluwe Putpikoe lag met z'ne kromme haak in zijn grijperige handen voortdurend op de loer. Boog een strant kind zich over de rand van de putkuip, dan sloeg hij genadeloos toe. Met een pijlsnelle beweging schoot z'nen haak uit en trok hij het kind met kleren en al het water in.
Niet alleen in de waterput van Kulhannes zat Putpikoe. Er waren meerdere, zelfs veel plaatsen waar dit duivels mênneke woonde. Na een forse regenbui zat hij ooit in de kapelput bij de pastorie, in de waterput bij het raadhuis of in het gootsteenputje van Sjef van Kosse. Bij stil zonnig weer spiegelde Putpikoe zich graag in het troebele water van een bleek - of plukselkuil van deze of gene boer en zodra de maan achter de wolken van de hemel lachte, dook hij ooit in het stromende water van de Dommel en het klein Sluiske.
Het klein Sluiske of het rond Dummelke was 'nen diepe waterrijke kuil, die in verbinding stond met de Dommel. Daalde het waterpeil van de Dommel dan stond er ook minder water in het rond Dummelke. Het klein Sluiske lag langs de Molendijk, de verharde weg naar Kasteren. Op de rand van de kuil stond riet en wat rauw gerei en in de kuil dansten in de zomerdag enkele waterlelies op de golfslag van het water. Veel kinderen hadden een beetje schrik van het klein Sluiske. En terecht vond Kulhannes. "Es ge tussen 't riet skoot, waarde weg", beweerde hij. Daarom zei hij tegen de kinderen, die luisteren wilden: "Blijf van dieën kuil weg, want 't mênneke mi d'n haok vat oe bij oew kleer en trekt oe mi duvelsgeweld 't waoter in".
Onderwerp
TM 3402 - De kinderschrik   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Putpikoe   
KULHANNES   
Den Berg   
Sluiske   
Dummelke   
Sjef van Kosse   
Naam Locatie in Tekst
Liempde   
Den Bosch   
Schijndel   
Oss   
Dommel   
Molendijk   
Kasteren   
