Hoofdtekst
De ring van de koning
Daar was eens een Oostersche vorst, die de vader was van drie zoons, welke allen op den zelfden dag geboren waren. Toen de koning zijn einde voelde naderen, ontbood hij zijn kinderen bij zich en sprak:
"Voor mijn dood wensch ik te bepalen wier uwer mij zal opvolgen als gebieder over mijn machtig rijk. Gij weet, dat in ons geslacht een overoude gewoonte bestaat welke den oudsten zoon als erfgenaam van de macht en de waardigheden zijns vaders aanwijst. Gij lieden zijt echter even oud in jaren elkander gelijk en ik min u allen evenzeer. Toch kan slechts één van u geroepen worden om de staat te besturen als ik er niet meer zal zijn". Hierop hief den grijzen vorst zijn rechterhand omhoog en vervolgde: "Aan deze hand ziet gij een ring, waarin een kostbare karbonkelsteen gevat is. Alle koningen van mijn stam hebben hem gedragen, gelijk ik hem gedragen heb, zoolang ik heerscher ben over mijn rijk. De overlevering zegt, dat deze karbonkel helder schittert aan de hand van een braaf man, doch zijn flikkerende glans verliest, zoodra den ring door een onwaardige gedragen wordt. Thans wensch ik die wonderkracht op de proef te stellen: maar helaas, hoeveel moeite ik mij ook geef, het kleinood zit zoo vast om mijn vinger geklemd, dat het daarvan niet te verwijderen is. Daarom stel ik u deze vraag: 'Hoe denkt gij na mijn dood met dezen kostbaren schat te handelen? Wie van U hierop het beste antwoord geven kan, zal met den ring mijn staaten erven'". Toen antwoordde den eersten zoon: "Machtigen koning, het zou mij leed doen, indien deze prachtigen ring geschonden werd. Daarom zal ik een dokter ontbieden om van uw lijk den vinger af te snijden, teneinde het kleinood ongeschonden voor ons geslacht te behouden". Den grijzen koning knikte*: "Uw antwoord getuige van wijs overleg". Daarop nam de tweede zoon het woord en zeide: "Edelen koning, uw lichaam zoo wreed te verminken, wil mij niet van het hart. Ik zal een goudsmid gelasten den ring voorzichtig door te vijlen en daarna van uw vinger te verwijderen, opdat hij bewaart blijve voor uw nazaten". Wederom knikte de vorst en sprak: "Uw woorden getuigen niet alleen van wijs overleg, maar ook van een gevoelig hart". De derden zoon sloeg de oogen neder. "Lieve vader", zeide hij, "Ik heb u zoo menigmaal door mijn onbezonnenheid verdriet gedaan, dat ik den erfgenaam van uw ring niet mag zijn. Geen hand is waardiger dien te dragen, dan de uwe. Daarom zij en blijve* hij uw eigendom, ook na uw dood". Toen breidde de koning vriendelijk lachend zijn armen uit en sloot den derden zoon aan zijn borst, terwijl hij uitriep: "Uw antwoord getuigt van nederigheid en zelfkennis. Alleen hij, die zich zijn fouten bewust is, zal naar volmaking streven. Gij zijt koning". [*kinkte; blijven]
Daar was eens een Oostersche vorst, die de vader was van drie zoons, welke allen op den zelfden dag geboren waren. Toen de koning zijn einde voelde naderen, ontbood hij zijn kinderen bij zich en sprak:
"Voor mijn dood wensch ik te bepalen wier uwer mij zal opvolgen als gebieder over mijn machtig rijk. Gij weet, dat in ons geslacht een overoude gewoonte bestaat welke den oudsten zoon als erfgenaam van de macht en de waardigheden zijns vaders aanwijst. Gij lieden zijt echter even oud in jaren elkander gelijk en ik min u allen evenzeer. Toch kan slechts één van u geroepen worden om de staat te besturen als ik er niet meer zal zijn". Hierop hief den grijzen vorst zijn rechterhand omhoog en vervolgde: "Aan deze hand ziet gij een ring, waarin een kostbare karbonkelsteen gevat is. Alle koningen van mijn stam hebben hem gedragen, gelijk ik hem gedragen heb, zoolang ik heerscher ben over mijn rijk. De overlevering zegt, dat deze karbonkel helder schittert aan de hand van een braaf man, doch zijn flikkerende glans verliest, zoodra den ring door een onwaardige gedragen wordt. Thans wensch ik die wonderkracht op de proef te stellen: maar helaas, hoeveel moeite ik mij ook geef, het kleinood zit zoo vast om mijn vinger geklemd, dat het daarvan niet te verwijderen is. Daarom stel ik u deze vraag: 'Hoe denkt gij na mijn dood met dezen kostbaren schat te handelen? Wie van U hierop het beste antwoord geven kan, zal met den ring mijn staaten erven'". Toen antwoordde den eersten zoon: "Machtigen koning, het zou mij leed doen, indien deze prachtigen ring geschonden werd. Daarom zal ik een dokter ontbieden om van uw lijk den vinger af te snijden, teneinde het kleinood ongeschonden voor ons geslacht te behouden". Den grijzen koning knikte*: "Uw antwoord getuige van wijs overleg". Daarop nam de tweede zoon het woord en zeide: "Edelen koning, uw lichaam zoo wreed te verminken, wil mij niet van het hart. Ik zal een goudsmid gelasten den ring voorzichtig door te vijlen en daarna van uw vinger te verwijderen, opdat hij bewaart blijve voor uw nazaten". Wederom knikte de vorst en sprak: "Uw woorden getuigen niet alleen van wijs overleg, maar ook van een gevoelig hart". De derden zoon sloeg de oogen neder. "Lieve vader", zeide hij, "Ik heb u zoo menigmaal door mijn onbezonnenheid verdriet gedaan, dat ik den erfgenaam van uw ring niet mag zijn. Geen hand is waardiger dien te dragen, dan de uwe. Daarom zij en blijve* hij uw eigendom, ook na uw dood". Toen breidde de koning vriendelijk lachend zijn armen uit en sloot den derden zoon aan zijn borst, terwijl hij uitriep: "Uw antwoord getuigt van nederigheid en zelfkennis. Alleen hij, die zich zijn fouten bewust is, zal naar volmaking streven. Gij zijt koning". [*kinkte; blijven]
Beschrijving
Een oosterse koning met drie zonen wil uitzoeken wie hem moet opvolgen, toont hen zijn uitermate kostbare ring en vraagt wat ze ermee na zijn dood (hij kan nu niet af) zullen doen. De eerste zal een dokter de vinger laten afsnijden, de tweede zal de ring laten doorvijlen, de derde zal hem aan zijn hand laten zitten en wordt tot koning benoemd.
Bron
Roger van Laere, KULHANNES, Liempde 1992, 31
Commentaar
voor 1992
Naam Overig in Tekst
Oosters   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
