Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

kul014 - Den rijke schoenmaker

Een sprookje (boek), 1982 - 1991

Hoofdtekst

Den rijke schoenmaker

Er was eens een schoenmaker, een heele baas in zijn vak, en die rijkelijk zijn brood verdiende. Toch was de man niet gelukkig, want ontevredenheid over zijn nederigen stand knaagde aan zijn leven, en benam het alle vreugde en aantrekkelijkheid. Het zien van een prachtig huis, een rijke equipage of een deftig gekleed heer maakte hem bitter, en vaak hoorde men hem in zulke zwartgallige ogenblikken hevig uitvaren tegen het slechte gebruik, dat de rijken van hun geld maakten, terwijl zij zich om hem en honderd anderen, even eerzame en fatsoenlijke lieden als hij, niet eens bekommerden. Had de hemel hem met fortuin begunstigd, hij zou zijne schatten beter aanwendden; zóó tenminste dacht en geloofde hij.
Zekeren avond was hij in eene dergelijke kwade luim naar bed gegaan, toen hij opeens een deftige grijsaard zijn slaapvertrek zag binnentreden.
De onverwachte bezoeker keek hem een wijl met ernstige doch vriendelijk oogen aan en zeide toen: "Gij zijt van gevoelen, mijn vriend, dat de rijken over 't algemeen een slecht gebruik van hun geld maken?" "Dat ben ik", antwoordde de schoenmaker, die wel een heel beetje verbaasd, maar lang van zijn stuk was. "En gij beweert, dat gij 't veel beter zoudt aanleggen indien de fortuin u begunstigde?" "Zonder twijfel zou ik dat". "Het is u dus zeker bekend, dat de rijkdommen den mensch geschonken worden, om er mede te woekeren voor den Hemel?" "Dat weet ik (zeker)". "Om ze te besteden voor de opluistering van den godsdienst en verlichting van den nood der armen?" "Welzeker". "En gij zijt vast overtuigd, dat gij er zoodanig mede handelen zult?" "Vast als een rots". "Welnu", hervatte de grijsaard op plechtige toon, "welnu, wees dan rijk". Nauwelijks waren deze woorden uitgesproken, of hij was verdwenen.
't Gesprek scheen lang geduurd te hebben, want het was intusschen klaarlichte dag geworden. De schoenmaker wreef zich de oogen en keek vervolgens naar de deur, of hij den nachtelijken bezoeker nog kon ontdekken. Is het een droom? Alles ziet hij van gedaante veranderd!
Beddekens en bedgordijnen van het fijnste damast; een dik fluwelen karpet, een kunstig bewerkte, mahoniehouten tafel, spiegels en schilderijen in breede vergulde lijsten aan de behangen muren, valgordijnen en jaloeziën voor de ramen, waar mag dat alles vandaan gekomen zijn?
De bedremmelde man stapt uit zijn bed en wil zich kleeden. Hemel! heel zijn plunje is van het fijnste laken en naar de laatste mode gesneden. Hij laat zich dien opschik welgevallen en stapt als een adelijk heer de kamer uit. Nieuwe verrassing! 't Geheele huis is veranderd! Breede gangen, vorstelijke trappen, keur van vertrekken: zalen, voorkamers, kabinetten en wie weet wat al meer! Daar valt zijn oog op een groote koffer. Nie[u]wsgierig opent hij die*: Propvol met banknoten en goudgeld! Nu eerst ziet hij voorgoed, dat hij een schatrijk man is. Eensklaps verneemt hij beneden gedruisch; hij klimt de sierlijke wenteltrap af en heeft nauwelijks den voet in den witmarmeren gang gezet, of vier, vijf bedienden komen toegeschoten. "Wat zal mijnheer voor zijn ontbijt gebruiken?" "Mag uw dienaar weten, hoe het menu voor dezen avond is?" "Met welke koets zal zijnedele vandaag een ritje doen?" Zoo klinkt het van alle kanten onder velerlei buigingen en strijkages. De nieuwbakken rijkaard meent niet beter te kunnen doen dan zich zoo voornaam mogelijk aan te stellen. Met hoogadelijke ernst deelt hij den bedienden zijne bevelen uit en gaat daarna een der zalen binnen wier vleugeldeur alle in den gang uitkomen. Daar werpt hij zich gemakkelijk op een canapé neer en denkt, terwijl men het ontbijt gereed zet, over zijn plotseling geluk na.
Toen 't ontbijt was afgeloopen, moest een bediende eene prachtige Duitsche pijp en een gouden tabaksdoos met den fijnste Havanah brengen. Onze oud-schoenmaker vlijde zich opnieuw in de canapé neer en omheulde zich spoedig met geurige, kringelende wolkjes.
Een half uur had hij zoo in nietsdoen doorgebracht, toen de portier een arme vrouw kwam aanmelden. De heer tast in zijne zijden beurs, maar er is geen geld in. Wel wist hij, dat hij een trapjen op, het geld voor 't vatten had, maar moet een rijk en deftig man als hij het zich voor ene bedelares zoo lastig maken! en dat op zulk een ongewoon uur! "Zeg haar," snauwde hij den knecht toe, "dat hier op zulk een ongelegen uur geene aalmoezen worden uitgereikt. Ze kan later terugkomen". Pas was 't arme mensch afgescheept of 't begon hem toch wel een weinig aan zijn gewaten te knagen, omdat hij zijne belofte zoo aardig nakwam. Maar, hij wist zich er spoedig door te zetten. 't Was immers de vrouw haar eigen schuld, waarom komt ze zoo vroeg?
Tingeling! de bel wordt weer geroerd. Nu is 't een dagloner, die Zijnedele eerbiedig verzoekt hem een oogenblikje te woord te staan. Mijnheer richt zich met een zucht op en gaat trekvoetend naar de spreekkamer. "Wat is er, vriend?" vraagt hij den bezoeker, een eenvoudig en armoedig gekleed man.
"Weledele Heer, ik heb thuis ene vronw en drie kleine kinderen, voor wie ik alleen de kost moet verdienen.
Tot gisteren toe heb ik als opperman de mijnen aan brood geholpen, maar nu heeft mijn baas mij ontslagen, omdat het zoo'n slappe tijd is. Daarom kom ik U Ed. beleefd verzoeken, mij wat werk in uwen uitgestrekte tuin te verschaffen, om zoodoende mijn huisgezin voor den hongerdood te bewaren".
"Verstaat gij den tuinbouw, vriend?"
"Om de waarheid te zeggen, ik heb er mij nooit op toegelegd, maar ik hoop met vlijt en oplettendheid den tuinder een weinig te kunnen helpen".
"'t Spijt me, vriend, maar ik mag mijn tuin niet aan onbedreven handen toevertrouwen, ik wil u echter niet onvoldaan wegzenden". Meteen belde hij en een bediende trad voor. "Geef dezen man een gulden uit uwe beurs, ik heb geen geld bij de hand. Ziezoo, gegroet vriend!"
En de teleurgestelde, mismoedigde dagloner kon elders een uitkomst zoeken, terwijl de rijkaard naar zijn kabinet terugdrentelde, onderweg binnensmonds prevelend: "Zoo moesten 't alle rijken* doen! Maar hoe rijker, hoe schrokkeriger!"
Met dit al was de morgen voorbij. In den namiddag liet Mijnheer een zijner rijtuigen inspannen - 't was een zomerwagentje - en ging een rijtoertje maken.
Onderweg ontmoette hij een stokoude man, die met een pak op den schouder er zeer vermoeid uitzag. "Gij moest dien man een plaatsje in uw wagen geven", fluisterde hem zijn goede Engel in. "Bah, een schooier naast mij dulden", mompelde hij, "ik schaam mij dood".
Het ritje was afgelopen, de avond viel in en onze rijkaard plaatste zich aan een welvoorzienen disch, waar hij zich de fijnste spijzen en den heerlijken wijn goed liet smaken. Daar ledigheid den mensch eigenlijk meer vermoeid dan matige en goedgeregelde arbeid, zoo voelde het heerschap spoedig trek naar bed en legde zich in dezelfde kamer en op dezelfde damasten dekens, waarin hij 's morgens ontwaakt was. Nauwelijks heeft hij zich daar neergelegd, of ziet! dezelfde eerbiedwaardige grijsaard van den vorige nacht staat weder voor hem, zijn blik is even ernstig, even vriendelijk. "Mijn vriend", zegt hij hem, "ik heb u rijkdommen gegeven, naar uw verlangen, maar gij had er volgens belofte, een beter gebruik van moeten maken. Daarom ontneem ik ze u, doch iets beters zal ik u in ruil geven: wees voortaan tevreden." De grijsaard verdween, de schoenmaker ontwaakte, maar nu in werkelijkheid, en in dezelfde kleine zolderkamer, waar hij zich 's avonds te voren had ter rust begeven. Zijn geheel avontuur was slechts een droom geweest!
Toch maakt hem zijn ontwaken in den ouden staat niet treurig, integendeel, zijn droom had hem de groote en droevige waarheid geleerd, dat het moeilijk is, een goed gebruik van de rijkdommen te maken, maar tevens had hij de overtuiging gekregen, dat niet in 't geld, maar in de tevredenheid het geheim van gelukkig leven is opgesloten.
[*Het; allen rijke]

Beschrijving

Een schoenmaker, die ontevreden is over zijn nederige stand, krijgt een hemelse bezoeker, die hem rijkdom toezegt, als hij ermee zal woekeren voor de hemel, zoals hij zo graag wil. De schoenmaker wordt rijk wakker in een vorstelijk paleis met bedienden en krijgt weldra bezoek van een bedelares, maar dan blijkt hij geen geld in zijn beurs te heben, wil het echter niet boven gaan pakken en zegt de vrouw later terug te komen. Een arme man, die om een tuinmansbaan komt vragen, scheept hij wegens gebrek aan ervaring af met een gulden. Tijdens een rijtochtje laat hij een oude man langs de weg staan omdat deze te haveloos is. 's Avonds na een copieuze maaltijd legt hij zich te rusten en krijgt weer bezoek van de hemeling, die hem verwijten maakt, de rijkdom afneemt, maar tevredenheid ervoor teruggeeft.

Bron

Roger van Laere, KULHANNES, Liempde 1992, 33-35

Commentaar

voor 1992

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20