Hoofdtekst
Doornroosje
Er was eens een koning en een koningin, die alles hadden, wat zij maar konden begeren, behalve een zoon of dochtertje.
De koningin trok zich dit heel erg aan. Menigmaal zuchtte zij en riep: "Ach, had ik toch maar een kindje". Na verloop van eenigen tijd werd haar wensch vervuld en kreeg zij een beeldschoon dochtertje.
De koningin was hierover zeer verheugd. Zij vroeg den koning, de toovergodinnen van het land uit te noodigen op een feestmaal, om hunnen heilwenschen over het prinsesje uit te spreken. De koning bezat twaalf prachtigen gouden borden en even zoovele drinkbekers en daar de feeen niet anders dan van zulke borden mochten eten, besloot hij aan den wens der koningin te voldoen.
Hij zond zijn ceremoniemeesters met eene uitnodiging naar de toovergodinnen. Zij beloofden alien te zullen komen. Er waren echter dertien godinnen, en daar de koning maar twaalf gouden borden bezat, dacht de ceremoniemeester, "zal ik de oude fee maar niet vragen. Zij woont zoo ver af en weet er misschien niets van."
Toen de koningin dit hoorde, was zij er niet erg tevreden mee, want zij was bang, dat de godin het toch zo te hooren en het dan kwalijk zou nemen; toch moest zij er in berusten.
De dag, voor het feest bestemd, was aangebroken. De ceremoniemeester kwam berichten, dat de toovergodinnen reeds allen aan het paleis afgestapt waren en in de naaste zaal den koning en de koningin afwachtten. De koningin ging aan de arm van haar gemaal de godinnen tegemoet. Allen wenschten de koninklijke Ouders van harte geluk met de blijde gebeurtenis, welke hun ten deel was gevallen. Te midden der plechtigheid trad de hofmaarschalk de zaal binnen en zeide: "Heer Koning, voor de poort staat een in rouw gekleed vrouwtje, die met geweld tot de kleine prinses toegelaten wil worden".
"Ach", antwoordde de koningin, "dat is zeker de fee, die we vergeten hebben te vragen. Ik wil haar zelf ontvangen en hier binnen brengen"; maar reeds gingen de deuren open en de fee in het zwart gekleed, met een gouden tooverdoos in de hand, vertoonde zich met vertoornd gelaat op den drempel der zaal. De koningin maakte een diepe buiging en smeekte haar niet vertoornd te zijn, omdat men vergeten had, haar uit te noodigen.
Zij schudde het hoofd en antwoordde: "Ik ben de oudste fee, die er bestaat. Iedereen is mij dus den hoogsten eerbied verschuldigd. Ik mag deze behandeling niet ongestraft laten.
Thans trad de koning in eerbiedige houding op haar toe en sprak: "Grootmachtige fee, wist gij welk een spijt wij over het gebeurde gevoelen, gij zoudt ons zeker vergeven en ons de eer aandoen het doopmaal, dat zonder u geen waarde heeft, bij te wonen".
"O, o, wat een vleitaal, heer koning", antwoordde zij spottend, "ik ben daar heel doof voor. Ik let op daden, niet op woorden. Waart gij zoo zeer op mijn gezelschap gesteld, gij zoudt zeker anders gehandeld hebben. Ik wil niet in uw midden blijven. Toon mij het prinsesje, opdat ik mijnen wensch over haar uitspreken kan".
De koning verliet met een bedroefd gelaat, gevolgd door de godin, de zaal, om aan haar verlangen te voldoen. Eenige oogenblikken later traden ook de andere feeen, met de koningin aan het hoofd, de kinderkamer binnen. Roosje lag gerust in haar wieg te sluimeren. Op verzoek van den koning schaarden alle godinnen zich om het slapende prinsesje. De eerste raakte het hoofdje van Roosje zachtjes aan met het tooverstafje en zei plechtig: "Lief kind, ik schenk u schoonheid en begiftig u met een lieftallig vertrouwelijk karakter".
"Ik", zei de tweede, "ik wensch u, behalve onafgebroken geluk, een helder verstand en het spreken van vele talen".
"Gaarne", sprak een derde, "geef ik u het voorrecht, door een ieder, die u ontmoeten mag, hartelijk bemind te worden."
Voordat een vierde het woord kon nemen, gaf de oudste fee een gebiedenden wenk te zwijgen en zeide bestraffend:
"Daar geen van u allen er over schijnt te denken, dat Roosje evengoed hare beproevingen en teleurstellingen moet hebben als een ander sterveling, zoo zal ik iets anders over haar uitspreken. Zij zal geen Roosje maar Doornroosje zijn. Zij zal, als zij den ouderdom van zestien jaar bereikt heeft, zich wonden aan een spinnewiel en daaraan sterven".
Nadat zij dit gezegd had, verliet zij de zaal.
De koning en de koningin waren zeer ontsteld, het lieve kind reeds zoo spoedig door den dood te moeten verliezen. Zij vraagden den andere godinnen of deze het vonnis niet konden veranderen. De feeën gingen daarop naar eene andere zaal om te beraadslagen in hoeverre zij de koningin over de toekomst van Doornroosje zouden kunnen geruststellen Zoodra de lieve godinnen het hierover eens waren, knielde de jongste, die nog niets gezegd had aan de zijde van de koningin en sprak: "Het zal u zeker hoogst aangenaam zijn, geëerde Majesteit, van ons te vernemen, dat wij de voorspellingen van de oudste fee een weinig veranderd hebben. Voor Doornroosje zal een tijd komen, waarop zij weder gelukkig zal worden. Wij hebben de macht om den dood in een honder[d]jarige slaap te veranderen. Na verloop van dien tijd zal zij door een jongen prins gewekt worden".
De koning was echter nog niet gerustgesteld. Hij gaf bevel, dat alle spinnewielen in zijn rijk moesten worden verbrand, dan was het gevaar weggenomen, dat zijn dochter zich daaraan zou prikken. Aan dit bevel werd gevolg gegeven.
De prinses groeide flink en voorspoedig op. Zij was zeer schoon en ieder, die haar zag, hield veel van haar.
Op zekeren dag, toen zij zestien jaar oud was, kwam ze in een afgelegen gedeelte van het paleis. Nieuwsgierig ging ze de trappen op en opende de deur van een kamertje. Hier zat een oud vrouwtje te spinnen. Zij had van het verbod, dat de koning gegeven had, niet gehoord, omdat zij daar eenzaam leefde.
De prinses had nog nimmer een spinnewiel gezien en vroeg aan het besje, of zij ook eens mocht spinnen.
"Welzeker", zei het oude vrouwtje.
Nauwelijks was de prinses aan het spinnen of zij prikte zich en viel in een diepen slaap. Het vrouwtje werd zeer verschrikt en riep spoedig om hulp. Toen de koning en koningin het vernamen, waren zij radeloos en zonden spoedig om de goede toovergodin. Ze legden inmiddels de prinses in de groote zaal op een prachtig rustbed. De toovergodin kwam, troostte den koning en de koningin, raakte daarop alle levenden met haar tooverstaf aan, zoodat zij allen evenals de prinses, in een diepen slaap vielen. De jonge fee vond dit beter, want dan was Doornroosje niet alleen, als zij weer ontwaakte. Toen alles goed in orde gemaakt was, verliet de godin het paleis, sloot de deur en verbood een ieder den toegang.
Honderd jaren waren voorbij gegaan, toen een prins van een naburig rijk voorbij het paleis reed. Verwonderd, dat zoo'n prachtig gebouw daar zoo verlaten lag, vraagde hij eenen oude man, die er juist voorbij kwam, wat het voor een paleis was. De oude man vertelde hem de geschiedenis van de schoone prinses. De prins gevoelde een groot verlangen het paleis te zien, om, als het kon, de prinses te verlossen.
Hij begaf zich oogenblikkelijk naar het paleis en zie, alles week voor zijne voeten. De dicht begroeide bomen verwijderden zich en de deuren van het paleis gingen vanzelf open. De inrichting van het kasteel getuigde* van den meesten smaak en rijkdom. De vloerkleden waren van fluweel en met gouden franjes afgezet; de gordijnen van brokaat en doorweven met zilveren figuren, de lambriseeringen van gebloemd damast, de meubels van rozen- en palmhout, de tafels van gepolijst marmer en koraal, terwijl de plafonds uit zeer kunstig schilderwerk bestonden.
In de groote ridderzaal hingen alle portretten der regerende Vorsten van voor honderd jaren. Zeer verwonderd was de prins, allen slapende te vinden, maar de prinses zag hij nog niet. Eindelijk kwam hij in een prachtige zaal. Op een rustbed van zijde lag de prinses. Voorzichtig naderde de prins en raakte hare hand aan. Terstond werd zij wakker en ging met hem naar hare ouders. Deze ontwaakten ook en waren zeer verheugd, Doornroosje zoo gezond terug te zien. De prins vraagde haar ten huwelijk en de ouders schonken hem gaarne de hand hunner dochter. De bruiloft had weinige dagen daarna plaats en werd met den meesten luister gevierd.
[*getuigden]
Er was eens een koning en een koningin, die alles hadden, wat zij maar konden begeren, behalve een zoon of dochtertje.
De koningin trok zich dit heel erg aan. Menigmaal zuchtte zij en riep: "Ach, had ik toch maar een kindje". Na verloop van eenigen tijd werd haar wensch vervuld en kreeg zij een beeldschoon dochtertje.
De koningin was hierover zeer verheugd. Zij vroeg den koning, de toovergodinnen van het land uit te noodigen op een feestmaal, om hunnen heilwenschen over het prinsesje uit te spreken. De koning bezat twaalf prachtigen gouden borden en even zoovele drinkbekers en daar de feeen niet anders dan van zulke borden mochten eten, besloot hij aan den wens der koningin te voldoen.
Hij zond zijn ceremoniemeesters met eene uitnodiging naar de toovergodinnen. Zij beloofden alien te zullen komen. Er waren echter dertien godinnen, en daar de koning maar twaalf gouden borden bezat, dacht de ceremoniemeester, "zal ik de oude fee maar niet vragen. Zij woont zoo ver af en weet er misschien niets van."
Toen de koningin dit hoorde, was zij er niet erg tevreden mee, want zij was bang, dat de godin het toch zo te hooren en het dan kwalijk zou nemen; toch moest zij er in berusten.
De dag, voor het feest bestemd, was aangebroken. De ceremoniemeester kwam berichten, dat de toovergodinnen reeds allen aan het paleis afgestapt waren en in de naaste zaal den koning en de koningin afwachtten. De koningin ging aan de arm van haar gemaal de godinnen tegemoet. Allen wenschten de koninklijke Ouders van harte geluk met de blijde gebeurtenis, welke hun ten deel was gevallen. Te midden der plechtigheid trad de hofmaarschalk de zaal binnen en zeide: "Heer Koning, voor de poort staat een in rouw gekleed vrouwtje, die met geweld tot de kleine prinses toegelaten wil worden".
"Ach", antwoordde de koningin, "dat is zeker de fee, die we vergeten hebben te vragen. Ik wil haar zelf ontvangen en hier binnen brengen"; maar reeds gingen de deuren open en de fee in het zwart gekleed, met een gouden tooverdoos in de hand, vertoonde zich met vertoornd gelaat op den drempel der zaal. De koningin maakte een diepe buiging en smeekte haar niet vertoornd te zijn, omdat men vergeten had, haar uit te noodigen.
Zij schudde het hoofd en antwoordde: "Ik ben de oudste fee, die er bestaat. Iedereen is mij dus den hoogsten eerbied verschuldigd. Ik mag deze behandeling niet ongestraft laten.
Thans trad de koning in eerbiedige houding op haar toe en sprak: "Grootmachtige fee, wist gij welk een spijt wij over het gebeurde gevoelen, gij zoudt ons zeker vergeven en ons de eer aandoen het doopmaal, dat zonder u geen waarde heeft, bij te wonen".
"O, o, wat een vleitaal, heer koning", antwoordde zij spottend, "ik ben daar heel doof voor. Ik let op daden, niet op woorden. Waart gij zoo zeer op mijn gezelschap gesteld, gij zoudt zeker anders gehandeld hebben. Ik wil niet in uw midden blijven. Toon mij het prinsesje, opdat ik mijnen wensch over haar uitspreken kan".
De koning verliet met een bedroefd gelaat, gevolgd door de godin, de zaal, om aan haar verlangen te voldoen. Eenige oogenblikken later traden ook de andere feeen, met de koningin aan het hoofd, de kinderkamer binnen. Roosje lag gerust in haar wieg te sluimeren. Op verzoek van den koning schaarden alle godinnen zich om het slapende prinsesje. De eerste raakte het hoofdje van Roosje zachtjes aan met het tooverstafje en zei plechtig: "Lief kind, ik schenk u schoonheid en begiftig u met een lieftallig vertrouwelijk karakter".
"Ik", zei de tweede, "ik wensch u, behalve onafgebroken geluk, een helder verstand en het spreken van vele talen".
"Gaarne", sprak een derde, "geef ik u het voorrecht, door een ieder, die u ontmoeten mag, hartelijk bemind te worden."
Voordat een vierde het woord kon nemen, gaf de oudste fee een gebiedenden wenk te zwijgen en zeide bestraffend:
"Daar geen van u allen er over schijnt te denken, dat Roosje evengoed hare beproevingen en teleurstellingen moet hebben als een ander sterveling, zoo zal ik iets anders over haar uitspreken. Zij zal geen Roosje maar Doornroosje zijn. Zij zal, als zij den ouderdom van zestien jaar bereikt heeft, zich wonden aan een spinnewiel en daaraan sterven".
Nadat zij dit gezegd had, verliet zij de zaal.
De koning en de koningin waren zeer ontsteld, het lieve kind reeds zoo spoedig door den dood te moeten verliezen. Zij vraagden den andere godinnen of deze het vonnis niet konden veranderen. De feeën gingen daarop naar eene andere zaal om te beraadslagen in hoeverre zij de koningin over de toekomst van Doornroosje zouden kunnen geruststellen Zoodra de lieve godinnen het hierover eens waren, knielde de jongste, die nog niets gezegd had aan de zijde van de koningin en sprak: "Het zal u zeker hoogst aangenaam zijn, geëerde Majesteit, van ons te vernemen, dat wij de voorspellingen van de oudste fee een weinig veranderd hebben. Voor Doornroosje zal een tijd komen, waarop zij weder gelukkig zal worden. Wij hebben de macht om den dood in een honder[d]jarige slaap te veranderen. Na verloop van dien tijd zal zij door een jongen prins gewekt worden".
De koning was echter nog niet gerustgesteld. Hij gaf bevel, dat alle spinnewielen in zijn rijk moesten worden verbrand, dan was het gevaar weggenomen, dat zijn dochter zich daaraan zou prikken. Aan dit bevel werd gevolg gegeven.
De prinses groeide flink en voorspoedig op. Zij was zeer schoon en ieder, die haar zag, hield veel van haar.
Op zekeren dag, toen zij zestien jaar oud was, kwam ze in een afgelegen gedeelte van het paleis. Nieuwsgierig ging ze de trappen op en opende de deur van een kamertje. Hier zat een oud vrouwtje te spinnen. Zij had van het verbod, dat de koning gegeven had, niet gehoord, omdat zij daar eenzaam leefde.
De prinses had nog nimmer een spinnewiel gezien en vroeg aan het besje, of zij ook eens mocht spinnen.
"Welzeker", zei het oude vrouwtje.
Nauwelijks was de prinses aan het spinnen of zij prikte zich en viel in een diepen slaap. Het vrouwtje werd zeer verschrikt en riep spoedig om hulp. Toen de koning en koningin het vernamen, waren zij radeloos en zonden spoedig om de goede toovergodin. Ze legden inmiddels de prinses in de groote zaal op een prachtig rustbed. De toovergodin kwam, troostte den koning en de koningin, raakte daarop alle levenden met haar tooverstaf aan, zoodat zij allen evenals de prinses, in een diepen slaap vielen. De jonge fee vond dit beter, want dan was Doornroosje niet alleen, als zij weer ontwaakte. Toen alles goed in orde gemaakt was, verliet de godin het paleis, sloot de deur en verbood een ieder den toegang.
Honderd jaren waren voorbij gegaan, toen een prins van een naburig rijk voorbij het paleis reed. Verwonderd, dat zoo'n prachtig gebouw daar zoo verlaten lag, vraagde hij eenen oude man, die er juist voorbij kwam, wat het voor een paleis was. De oude man vertelde hem de geschiedenis van de schoone prinses. De prins gevoelde een groot verlangen het paleis te zien, om, als het kon, de prinses te verlossen.
Hij begaf zich oogenblikkelijk naar het paleis en zie, alles week voor zijne voeten. De dicht begroeide bomen verwijderden zich en de deuren van het paleis gingen vanzelf open. De inrichting van het kasteel getuigde* van den meesten smaak en rijkdom. De vloerkleden waren van fluweel en met gouden franjes afgezet; de gordijnen van brokaat en doorweven met zilveren figuren, de lambriseeringen van gebloemd damast, de meubels van rozen- en palmhout, de tafels van gepolijst marmer en koraal, terwijl de plafonds uit zeer kunstig schilderwerk bestonden.
In de groote ridderzaal hingen alle portretten der regerende Vorsten van voor honderd jaren. Zeer verwonderd was de prins, allen slapende te vinden, maar de prinses zag hij nog niet. Eindelijk kwam hij in een prachtige zaal. Op een rustbed van zijde lag de prinses. Voorzichtig naderde de prins en raakte hare hand aan. Terstond werd zij wakker en ging met hem naar hare ouders. Deze ontwaakten ook en waren zeer verheugd, Doornroosje zoo gezond terug te zien. De prins vraagde haar ten huwelijk en de ouders schonken hem gaarne de hand hunner dochter. De bruiloft had weinige dagen daarna plaats en werd met den meesten luister gevierd.
[*getuigden]
Onderwerp
AT 0410 - Sleeping Beauty   
ATU 0410 - Sleeping Beauty   
Beschrijving
Kinderloos koningspaar krijgt eindelijk een dochter, nodigen de tovergodinnen van het land uit, maar de oude fee wordt gepasseerd, omdat de koning slecht 12 gouden borden heeft. Deze komt toch, is boos en wenst dat het kindje, door haar Doornroosje genaamd, op haar zestiende zich zal verwonden aan een spinnewiel en eraan sterven. De jongste fee heeft nog geen wens gedaan en zet de dood om in een 100-jarige slaap, waaruit een jongen haar zal wekken. De koning laat alle spinnewielen verbranden, maar als Doornroosje 16 is, komt ze in een afgelegen deel van het paleis bij een oud vrouwtje met een spinnewiel, prikt zich eraan en valt in slaap en wordt op een prachtig bed gelegd. De tovergodin komt en tovert het hele paleis in een diepe slaap. Na 100 jaar komt een prins, voor wiens voeten alles wijkt, en door het paleis vol slapenden gaand komt hij bij de prinses, raakt haar hand aan en ze ontwaakt en met haar het hele paleis. Bruiloft.
Bron
Roger van Laere, KULHANNES, Liempde 1992, 37-39
Commentaar
voor 1992
Sleeping Beauty
Naam Overig in Tekst
Doornroosje   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
