Hoofdtekst
Sneeuwwitje
Het was in den winter en de sneeuwvlokken vielen als veren van den hemel, toen een koningin zat te naaien voor een raam, dat eene omlijsting van zwart ebbenhout had.
Al naaiende keek zij op naar de sneeuwvlokken en prikte zich toen met de naald in den vinger, waardoor drie droppers bloed in de sneeuw vielen.
Het was mooi, dat roode bloed op de witte sneeuw en zij dacht bij zich zelve: had ik toch een kind zoo wit als sneeuw. zoo rood als bloed en zoo zwart als ebbenhout. Spoedig daarna kreeg zij een dochtertje, dat zoo wit was als sneeuw en zoo rood als bloed en wier haar zwart was als het ebbenhout en dat Sneeuwwitje genoemd werd. Toen het kindje geboren was, stierf de koningin.
Een jaar later nam de koning een andere gemalin. Deze was een schoone vrouw, maar zeer trotsch, en zij kon niet dulden, dat iemand schooner zou zijn dan zij. Deze koningin had een wonderspiegel en wanneer zij zich daarin bekeek, sprak zij:
"Spiegeltje, spiegeltje aan den wand,
wie is de schoonste in het gansche land?"
waarop de spiegel antwoordde:
"Koningin, gij zijt de schoonste in het land".
Dan was zij tevreden, want zij wist, dat de spiegel waarheid sprak. Sneeuwwitje echter groeide op en werd schooner en schooner, en toen zij zeven jaar oud was, was zij schooner den de koningin zelf.
Toen deze eens aan den spiegel vroeg:
"Spiegeltje, spiegeltje aan den wand,
wie is de schoonste in het gansche land?"
antwoordde hij:
"Koningin, gij zijt schoon, maar Sneeuwwitje is duizendmaal schooner".
Daar verschrok de koningin van en werd zeer boos en van dat oogenblik af haatte zij Sneeuwwitje. De nijd en de hoogmoed werden steeds sterker en lieten haar tenslotte dag noch nacht met rust. Toen riep zij eenen jager bij zich en sprak: "Breng dit kind in het bosch, want ik wil het niet meer voor mijn oogen zien. Gij moet het dooden en mij longen en lever als bewijs brengen." De jager gehoorzaamde en nam het kind mede, doch toen hij zijn hartsvanger nam en Sneeuwwitje dooden wilde, begon zij te weenen en sprak: "Oh, lieve jager, laat mij toch leven, dan zal ik het bosch in gaan en nooit weer thuiskomen". Omdat zij zoo schoon was, had de jager medelijden en sprak: "Ga dan maar, arm kind". Bij zich zelf dacht hij: "De wilde dieren zullen u wel spoedig opgegeten hebben". Toch was het hem, of hem een steen van het hart genomen werd, nu hij haar niet behoefde te dooden. Toen daar nu juist een jong wild zwijn kwam aanloopen, maakte hij dat dood, nam longen en lever en bracht die aan de koningin. De kok moest ze koken en de boosaardige vrouw at ze op, menende, dat het de longen en lever van Sneeuwwitje waren.
Het arme kind was nu geheel alleen in het groot bosch, en zij was zoo bang. Zij liep, zoo lang hare voeten haar dragen wilden. Toen het avond werd, zag zij een klein huisje en liep daarin om wat te rusten. Alles wat in dit huisje was, was klein, maar zoo sierlijk, zoo helder, dat het een lust was. Daar stond een gedekte tafel met zeven bordjes, en bij ieder bordje een lepeltje, mesje, vorkje en bekertje. Aan den wand stonden zeven bedjes naast elkaar met sneeuwwitte lakens daarop. Sneeuwwitje was zeer hongerig en dorstig en at van ieder bordje wat groente en brood en dronk uit ieder bekertje een droppeltje wijn, want zij wilde niet van één alles nemen.
Daarna legde zij zich, omdat zij zoo moe was, neder in een bedje, maar geen enkel paste; het eene was te lang, een ander te kort, totdat eindelijk het zevende goed was. Hier bleef zij liggen, bad God haar te bewaren en sliep in.
Toen het heel donker geworden was, kwamen de eigenaars van het huisje, zeven dwergen, die in de bergen naar erts groeven, thuis.
Zij staken hunne zeven lichtjes aan en toen het huisje nu verlicht werd, zagen zij, dat daar iemand geweest was, want alles stond niet juist zoo, als zij het verlaten hadden.
De eerste sprak: "Wie heeft er op mijn stoeltje gezeten?"
De tweede "Wie heeft van mijn bordje gegeten?"
De derde: "Wie heeft van mijn broodje genomen?"
De vierde: "Wie heeft van mijn groente gegeten?"
De vijfde: "Wie heeft met mijn vorkje geprikt?"
De zesde: "Wie heeft met mijn mesje gesneden?"
De zevende: "Wie heeft uit mijn bekertje gedronken?"
Toen keek de eerste om en zag, dat er in zijn bed een klein kuiltje was en riep uit: "Wie is er in mijn bedje gestapt?"
De anderen kwamen nu ook naderbij en riepen: "In het mijne heeft ook iemand gelegen". Toen de zevende in zijn bedje keek, zag hij Sneeuwwitje, die daar lag te slapen. Dadelijk riep hij de anderen, die geheel verwonderd waren, hunne zeven lichtjes erbij haalden en daarmede Sneeuwwitje verlichtten.
"O, wat is dat kind schoon", riepen zij uit en ze waren zoo blij, dat ze haar niet wakker maakten, maar rustig in het bedje lieten liggen. De zevende dwerg sliep bij ieder van zijn makkers een uur en toen was de nacht om.
Toen het morgen was geworden, werd Sneeuwwitje wakker en schrok, toen zij de zeven dwergen zag. Deze waren echter vriendelijk en vraagden haar, hoe zij heette. "Ik heet Sneeuwwitje", antwoordde zij. "Hoe zijt gij in ons huis gekomen?" vraagden de dwergen verder. Toen vertelde zij hun, dat hare stiefmoeder haar had willen dooden, maar hoe de jager haar het leven gelaten had, hoe ze verder den geheelen dag had gelopen, tot zij eindelijk hun huisje gevonden had. De dwergen vraagden haar nu of zij voor hun huishouden zorgen, koken, bedden afhalen en opmaken, wasschen naaien en breien wilde en alles helder schoon houden, dan mocht zij bij hen blijven en zou het haar aan niets ontbreken. "Ja", antwoordde Sneeuwwitje, "van ganscher harte," en zoo bleef zij bij hen en hield het huisje in orde.
's Morgens gingen de dwergen de bergen in, om erts en goud te zoeken en als zij 's avonds terugkwamen, dan moest het eten klaar zijn. Den geheelen dag was het meisje dus alleen; de goede dwergjes waarschuwden haar, terwijl zij zeiden: "Pas op voor uw stiefmoeder, zij zal spoedig weten, dat gij hier zijt: Laat dus nooit iemand binnen".
De Koningin echter dacht, toen zij naar zij meende, de longen en lever van Sneeuwwitje gegeten had, dat zij weer de schoonste was, daarom ging zij voor hare spiegel staan en sprak:
"Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
wie is de schoonste in het gansche land?"
Toen antwoordde de spiegel:
"Koningin, gij zijt de schoonste hier,
maar Sneeuwwitje in de bergen,
bij de zeven dwergen,
is duizendmaal schooner dan gij".
Hoe onstelde zij, want ze wist wel, dat de spiegel geen onwaarheid sprak; dus had de jager haar bedrogen en was Sneeuwwitje nog in leven. Nu begon ze opnieuw te bedenken, hoe zij van haar af kon komen, want ze zou niet tevreden zijn en geen rust hebben, als zij niet de schoonste in geheel het land was. Eindelijk had ze iets gevonden. Ze verfde haar gelaat en kleedde zich als een oude koopvrouw, zoodat zij geheel onherkenbaar was. Zoo ging zij naar het huisje, klopte aan de deur: "Mooie waar te koop!" Sneeuwwitje keek uit het venster en sprak: "Goede dag, vrouwtje. Wat hebt gij voor moois?" "Mooie corsetten in allerlei kleuren", antwoordde de koopvrouw en liet er haar een zien. "Deze vrouw kan ik gerust binnenlaten", dacht Sneeuwwitje, die geen argwaan koesterde, en liet zich het corset aanrijgen. Doch de vrouw reeg dit zoo vast, dat Sneeuwwitje geen adem meer kon halen en voor dood neerviel. Toen beschouwde de koningin haar met een afschuwelijken blik, lachte overluid en sprak: "Ditmaal kunnen de dwergen u niet weder wekken. Nu zijt gij de schoonste geweest;" en de booze vrouw ging ijlings heen.
Niet lang daarna kwamen de dwergen thuis en hoe verschrikten zij, toen zij hun lief Sneeuwwitje als dood op den grond vonden liggen. Zij namen haar op en zagen toen, dat zij te stijf geregen was; dadelijk sneden zij het corset los en daar begon zij een weinig te ademen en kwam er langzamerhand weer leven in. Toen de dwergen hoorden, hoe alles gebeurd was, zeiden ze tot haar: "Die oude koopvrouw was niemand anders, dan de goddelooze koningin; pas toch op en laat niemand binnen, als wij niet bij u zijn". De booze vrouw ging, thuis gekomen zijnde, weer naar haar spiegel en vroeg: "Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de schoonste in het gansche land?"
De spiegel antwoordde: "Koningin, gij zijt de schoonste hier, maar Sneeuwwitje in de bergen bij de zeven dwergen is nog duizendmaal schooner dan gij".
Zij verbleekte van schrik, toen zij dit hoorde, want nu begreep zij dat Sneeuwwitje weer levend geworden was en dacht: "Ik zal nu toch iets verzinnen, dat ik haar stellig dooden zal." Zij maakte een vergiftigde haarkam, verkleedde zich weer als een oude vrouw en ging naar de zeven dwergen. Zij klopte bij hen aan en riep: "Mooie waar te koop". Sneeuwwitje keek uit het raam en zeide: "Ga maar verder, want ik mag niemand binnen laten". "Maar je zult toch wel mogen kijken", hernam de oude vrouw, haalde de vergiftigde kam te voorschijn en liet die haar zien.
En Sneeuwwitje vond de kam zoo mooi, dat ze zich liet overhalen en de deur opende. Toen zij het over den prijs eens geworden waren en de koop gesloten was, sprak de vrouw: "Laat ik je nu eens behoorlijk kammen". Sneeuwwitje liet dit toe, doch had nauwelijks de kam in het haar of zij viel bewusteloos neer. "Nu is het met u gedaan, gij schoonste", zei de boosaardige vronw en ging heen.
Gelukkig was spoedig het oogenblik daar, dat de dwergen thuis kwamen. Toen zij Sneeuwwitje als dood zagen liggen, verdachten zij al dadelijk de stiefmoeder, zochten en vonden de vergiftigde kam. Nauwelijks hadden zij die uit het haar genomen, of Sneeuwwitje kwam weer bij en vertelde, wat er gebeurd was.
Nogmaals waarschuwden de dwergen haar, op hare hoede te zijn en voor niemand de deur te openen.
Intusschen ging de koningin thuis weer voor haren spiegel staan en vroeg:
"Spiegeltje, spiegeltje aan den wand, wie is de schoonste van het gansche land?" en de spiegel antwoordde evenals vroeger: "Koningin, gij zijt de schoonste hier, maar Sneeuwwitje in de bergen bij de zeven dwergen is nog duizendmaal schooner dan gij". Toen zij de spiegel zoo hoorde spreken, beefde zij van toorn. "Sneeuwwitje moet sterven", riep zij uit, "al moet het mijn eigen leven kosten". Zij ging nu in een verborgen kamer, waar niemand kwam, en maakte daar een vergiftigen appel. Hij zag er van buiten zoo heerlijk uit, dat ieder, dien hem zag, er lust in zou krijgen, doch wie een klein stukje daarvan at, zou moeten sterven. Toen de appel klaar was, verfde zij haar gelaat, verkleedde zich als een boerenvrouw en ging naar het huis van de zeven dwergen. Zij klopte aan. Sneeuwwitje stak het hoofd uit het raam en zeide: "Ik mag geen mensch binnenlaten, de zeven dwergen hebben het mij verboden". "Ook goed", antwoordde de boerin, "maar mijne appels moet ik toch kwijt. Hier, ik wil u er een geven". "Neen", zei Sneeuwwitje, "ik mag het niet aannemen". "Vreest gij soms voor vergift?" vroeg de oude, "zie, dan zal ik den appel in tweeen snijden, de roode helft is voor u en de witte zal ik opeten". De appel was echter zoo kundig gemaakt, dat alleen de roode helft vergiftigd was. Sneeuwwitje had lust in den mooien appel en toen zij zag, dat de boerin daarvan at, kon zij niet langer weerstand bieden, strekte de hand uit en nam de vergiftigde helft. Nauwelijks had zij echter een stukje ervan in den mond, of ze viel dood neder. Toen beschouwde de koningin haar met een afschuwelijken blik, lachte overluid en sprak: "Wit als sneeuw, rood als bloed, zwart als ebbenhout, ditmaal kunnen de dwergen u niet weder wekken." En toen zij thuis gekomen haren spiegel vraagde:
"Spiegeltje, spiegeltje aan den wand,
wie is de schoonste in het gansche land?"
antwoordde hij eindelijk:
"Koningin, gij zijt de schoonste in het land".
Toen was haar hart gerust, voor zover tenminste een boos hart rust hebben kan.
Toen de dwergjes 's avonds thuis kwamen, vonden zij Sneeuwwitje op den grond liggen, zij ademde niet meer, zij was dood. Zij tilden haar op, zochten of zij iets vergiftigs had, maakten haar corset los, kamden hare haren, wieschen haar met water en azijn, maar het hielp niets; het lieve kind was en bleef dood.
Zij legden haar op eene baar en zetten zich alle zeven daarbij neder, terwijl zij haar drie dagen beweenden. Toen wilden zij haar begraven, maar zij zag er nog zoo frisch uit als een levend mensch en had nog mooie roden wangen. "Zoo kunnen wij haar toch niet in de aarde leggen", spraken zij tot elkaar.
Daarom lieten zij een glazen kist maken, waar men aan alle kanten in kon zien, legden Sneeuwwitje er in en schreven met gouden letters haren naam erop en dat zij een koningsdochter was. Daarna zetten zij de kist op den berg en een van hen bleef erbij zitten om haar te bewaken. Ook de dieren kwamen en beweenden Sneeuwwitje, eerst een uil, daarna een raaf, ten laatste een duifje. Langen, langen tijd lag Sneeuwwitje nu in de kist, toch verging zij niet, maar zag eruit, alsof zij sliep, want nog altijd was zij: wit als sneeuw, rood als bloed en haar haren zwart als ebbenhout. Toen gebeurde het, dat een koningszoon door het bosch kwam en in het dwergenhuis een nachtverblijf zocht. Daar zag hij op den berg de kist met Sneeuwwitje erin en las, wat er met gouden letters op geschreven stond. "Geef mij de kist," sprak hij tot de dwergen, "ik zal u geven wat gij ervoor hebben wilt". Maar de dwergen antwoordden: "Wij geven haar niet voor al het goud van de wereld".
Toen sprak hij: "Schenk haar dan aan mij; ik kan niet leven zonder Sneeuwwitje. Ik zal haar in eere houden". Toen hij zoo sprak, kregen de goede dwergjes medelijden met hem en gaven hem de kist en de koningszoon liet hem door zijn dienaren op de schouders wegdragen. Het geschiedde nu, dat zij struikelden en daar schoot door den schok het giftige stukje appel Sneeuwwitje uit de keel. Het duurde niet lang, of zij opende de oogen, hief den deksel der kist in de hoogte, zat overeind en riep uit: "Waar ben ik toch?" Vol vreugde antwoordde de prins: "Gij zijt bij mij", vertelde haar, hoe alles gebeurd was en zeide: "Ik heb u meer lief dan iets ter wereld, ga met mij naar het slot mijns vaders en word mijne gemalin".
Sneeuwwitje stemde hierin toe, ging met hem mede en hunne bruiloft werd met veel pracht gevierd.
Ook Sneeuwwitjes goddelooze stiefmoeder werd tot het feest uitgenodigd. Toen zij zich prachtig gekleed had, trad zij voor den spiegel en sprak:
"Spiegeltje, spiegeltje aan den wand,
wie is de schoonste van het gansche land?"
De spiegel antwoordde:
"Koningin, gij zijt hier de schoonste,
maar de jonge koningin is duizendmaal schooner dan gjj!'
Toen verschrikte de booze vrouw zoozeer dat zij zichzelf geen meester meer was. Eerst wilde zij niet naar de bruiloft gaan, maar zij vond geen rust, zij moest erheen om de jonge koningin te zien.
Toen zij de koninklijke zaal binnentrad, herkende zij terstond Sneeuwwitje en stond als verstomd van schrik. Men had echter ijzeren pantoffels boven een kolenvuur gloeiend gemaakt, met ijzeren tangen werden zij binnen gedragen en zij werd gedwongen de rood gloeiende schoenen aan te doen en daarmede te dansen, tot zij dood neerviel.
Het was in den winter en de sneeuwvlokken vielen als veren van den hemel, toen een koningin zat te naaien voor een raam, dat eene omlijsting van zwart ebbenhout had.
Al naaiende keek zij op naar de sneeuwvlokken en prikte zich toen met de naald in den vinger, waardoor drie droppers bloed in de sneeuw vielen.
Het was mooi, dat roode bloed op de witte sneeuw en zij dacht bij zich zelve: had ik toch een kind zoo wit als sneeuw. zoo rood als bloed en zoo zwart als ebbenhout. Spoedig daarna kreeg zij een dochtertje, dat zoo wit was als sneeuw en zoo rood als bloed en wier haar zwart was als het ebbenhout en dat Sneeuwwitje genoemd werd. Toen het kindje geboren was, stierf de koningin.
Een jaar later nam de koning een andere gemalin. Deze was een schoone vrouw, maar zeer trotsch, en zij kon niet dulden, dat iemand schooner zou zijn dan zij. Deze koningin had een wonderspiegel en wanneer zij zich daarin bekeek, sprak zij:
"Spiegeltje, spiegeltje aan den wand,
wie is de schoonste in het gansche land?"
waarop de spiegel antwoordde:
"Koningin, gij zijt de schoonste in het land".
Dan was zij tevreden, want zij wist, dat de spiegel waarheid sprak. Sneeuwwitje echter groeide op en werd schooner en schooner, en toen zij zeven jaar oud was, was zij schooner den de koningin zelf.
Toen deze eens aan den spiegel vroeg:
"Spiegeltje, spiegeltje aan den wand,
wie is de schoonste in het gansche land?"
antwoordde hij:
"Koningin, gij zijt schoon, maar Sneeuwwitje is duizendmaal schooner".
Daar verschrok de koningin van en werd zeer boos en van dat oogenblik af haatte zij Sneeuwwitje. De nijd en de hoogmoed werden steeds sterker en lieten haar tenslotte dag noch nacht met rust. Toen riep zij eenen jager bij zich en sprak: "Breng dit kind in het bosch, want ik wil het niet meer voor mijn oogen zien. Gij moet het dooden en mij longen en lever als bewijs brengen." De jager gehoorzaamde en nam het kind mede, doch toen hij zijn hartsvanger nam en Sneeuwwitje dooden wilde, begon zij te weenen en sprak: "Oh, lieve jager, laat mij toch leven, dan zal ik het bosch in gaan en nooit weer thuiskomen". Omdat zij zoo schoon was, had de jager medelijden en sprak: "Ga dan maar, arm kind". Bij zich zelf dacht hij: "De wilde dieren zullen u wel spoedig opgegeten hebben". Toch was het hem, of hem een steen van het hart genomen werd, nu hij haar niet behoefde te dooden. Toen daar nu juist een jong wild zwijn kwam aanloopen, maakte hij dat dood, nam longen en lever en bracht die aan de koningin. De kok moest ze koken en de boosaardige vrouw at ze op, menende, dat het de longen en lever van Sneeuwwitje waren.
Het arme kind was nu geheel alleen in het groot bosch, en zij was zoo bang. Zij liep, zoo lang hare voeten haar dragen wilden. Toen het avond werd, zag zij een klein huisje en liep daarin om wat te rusten. Alles wat in dit huisje was, was klein, maar zoo sierlijk, zoo helder, dat het een lust was. Daar stond een gedekte tafel met zeven bordjes, en bij ieder bordje een lepeltje, mesje, vorkje en bekertje. Aan den wand stonden zeven bedjes naast elkaar met sneeuwwitte lakens daarop. Sneeuwwitje was zeer hongerig en dorstig en at van ieder bordje wat groente en brood en dronk uit ieder bekertje een droppeltje wijn, want zij wilde niet van één alles nemen.
Daarna legde zij zich, omdat zij zoo moe was, neder in een bedje, maar geen enkel paste; het eene was te lang, een ander te kort, totdat eindelijk het zevende goed was. Hier bleef zij liggen, bad God haar te bewaren en sliep in.
Toen het heel donker geworden was, kwamen de eigenaars van het huisje, zeven dwergen, die in de bergen naar erts groeven, thuis.
Zij staken hunne zeven lichtjes aan en toen het huisje nu verlicht werd, zagen zij, dat daar iemand geweest was, want alles stond niet juist zoo, als zij het verlaten hadden.
De eerste sprak: "Wie heeft er op mijn stoeltje gezeten?"
De tweede "Wie heeft van mijn bordje gegeten?"
De derde: "Wie heeft van mijn broodje genomen?"
De vierde: "Wie heeft van mijn groente gegeten?"
De vijfde: "Wie heeft met mijn vorkje geprikt?"
De zesde: "Wie heeft met mijn mesje gesneden?"
De zevende: "Wie heeft uit mijn bekertje gedronken?"
Toen keek de eerste om en zag, dat er in zijn bed een klein kuiltje was en riep uit: "Wie is er in mijn bedje gestapt?"
De anderen kwamen nu ook naderbij en riepen: "In het mijne heeft ook iemand gelegen". Toen de zevende in zijn bedje keek, zag hij Sneeuwwitje, die daar lag te slapen. Dadelijk riep hij de anderen, die geheel verwonderd waren, hunne zeven lichtjes erbij haalden en daarmede Sneeuwwitje verlichtten.
"O, wat is dat kind schoon", riepen zij uit en ze waren zoo blij, dat ze haar niet wakker maakten, maar rustig in het bedje lieten liggen. De zevende dwerg sliep bij ieder van zijn makkers een uur en toen was de nacht om.
Toen het morgen was geworden, werd Sneeuwwitje wakker en schrok, toen zij de zeven dwergen zag. Deze waren echter vriendelijk en vraagden haar, hoe zij heette. "Ik heet Sneeuwwitje", antwoordde zij. "Hoe zijt gij in ons huis gekomen?" vraagden de dwergen verder. Toen vertelde zij hun, dat hare stiefmoeder haar had willen dooden, maar hoe de jager haar het leven gelaten had, hoe ze verder den geheelen dag had gelopen, tot zij eindelijk hun huisje gevonden had. De dwergen vraagden haar nu of zij voor hun huishouden zorgen, koken, bedden afhalen en opmaken, wasschen naaien en breien wilde en alles helder schoon houden, dan mocht zij bij hen blijven en zou het haar aan niets ontbreken. "Ja", antwoordde Sneeuwwitje, "van ganscher harte," en zoo bleef zij bij hen en hield het huisje in orde.
's Morgens gingen de dwergen de bergen in, om erts en goud te zoeken en als zij 's avonds terugkwamen, dan moest het eten klaar zijn. Den geheelen dag was het meisje dus alleen; de goede dwergjes waarschuwden haar, terwijl zij zeiden: "Pas op voor uw stiefmoeder, zij zal spoedig weten, dat gij hier zijt: Laat dus nooit iemand binnen".
De Koningin echter dacht, toen zij naar zij meende, de longen en lever van Sneeuwwitje gegeten had, dat zij weer de schoonste was, daarom ging zij voor hare spiegel staan en sprak:
"Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
wie is de schoonste in het gansche land?"
Toen antwoordde de spiegel:
"Koningin, gij zijt de schoonste hier,
maar Sneeuwwitje in de bergen,
bij de zeven dwergen,
is duizendmaal schooner dan gij".
Hoe onstelde zij, want ze wist wel, dat de spiegel geen onwaarheid sprak; dus had de jager haar bedrogen en was Sneeuwwitje nog in leven. Nu begon ze opnieuw te bedenken, hoe zij van haar af kon komen, want ze zou niet tevreden zijn en geen rust hebben, als zij niet de schoonste in geheel het land was. Eindelijk had ze iets gevonden. Ze verfde haar gelaat en kleedde zich als een oude koopvrouw, zoodat zij geheel onherkenbaar was. Zoo ging zij naar het huisje, klopte aan de deur: "Mooie waar te koop!" Sneeuwwitje keek uit het venster en sprak: "Goede dag, vrouwtje. Wat hebt gij voor moois?" "Mooie corsetten in allerlei kleuren", antwoordde de koopvrouw en liet er haar een zien. "Deze vrouw kan ik gerust binnenlaten", dacht Sneeuwwitje, die geen argwaan koesterde, en liet zich het corset aanrijgen. Doch de vrouw reeg dit zoo vast, dat Sneeuwwitje geen adem meer kon halen en voor dood neerviel. Toen beschouwde de koningin haar met een afschuwelijken blik, lachte overluid en sprak: "Ditmaal kunnen de dwergen u niet weder wekken. Nu zijt gij de schoonste geweest;" en de booze vrouw ging ijlings heen.
Niet lang daarna kwamen de dwergen thuis en hoe verschrikten zij, toen zij hun lief Sneeuwwitje als dood op den grond vonden liggen. Zij namen haar op en zagen toen, dat zij te stijf geregen was; dadelijk sneden zij het corset los en daar begon zij een weinig te ademen en kwam er langzamerhand weer leven in. Toen de dwergen hoorden, hoe alles gebeurd was, zeiden ze tot haar: "Die oude koopvrouw was niemand anders, dan de goddelooze koningin; pas toch op en laat niemand binnen, als wij niet bij u zijn". De booze vrouw ging, thuis gekomen zijnde, weer naar haar spiegel en vroeg: "Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de schoonste in het gansche land?"
De spiegel antwoordde: "Koningin, gij zijt de schoonste hier, maar Sneeuwwitje in de bergen bij de zeven dwergen is nog duizendmaal schooner dan gij".
Zij verbleekte van schrik, toen zij dit hoorde, want nu begreep zij dat Sneeuwwitje weer levend geworden was en dacht: "Ik zal nu toch iets verzinnen, dat ik haar stellig dooden zal." Zij maakte een vergiftigde haarkam, verkleedde zich weer als een oude vrouw en ging naar de zeven dwergen. Zij klopte bij hen aan en riep: "Mooie waar te koop". Sneeuwwitje keek uit het raam en zeide: "Ga maar verder, want ik mag niemand binnen laten". "Maar je zult toch wel mogen kijken", hernam de oude vrouw, haalde de vergiftigde kam te voorschijn en liet die haar zien.
En Sneeuwwitje vond de kam zoo mooi, dat ze zich liet overhalen en de deur opende. Toen zij het over den prijs eens geworden waren en de koop gesloten was, sprak de vrouw: "Laat ik je nu eens behoorlijk kammen". Sneeuwwitje liet dit toe, doch had nauwelijks de kam in het haar of zij viel bewusteloos neer. "Nu is het met u gedaan, gij schoonste", zei de boosaardige vronw en ging heen.
Gelukkig was spoedig het oogenblik daar, dat de dwergen thuis kwamen. Toen zij Sneeuwwitje als dood zagen liggen, verdachten zij al dadelijk de stiefmoeder, zochten en vonden de vergiftigde kam. Nauwelijks hadden zij die uit het haar genomen, of Sneeuwwitje kwam weer bij en vertelde, wat er gebeurd was.
Nogmaals waarschuwden de dwergen haar, op hare hoede te zijn en voor niemand de deur te openen.
Intusschen ging de koningin thuis weer voor haren spiegel staan en vroeg:
"Spiegeltje, spiegeltje aan den wand, wie is de schoonste van het gansche land?" en de spiegel antwoordde evenals vroeger: "Koningin, gij zijt de schoonste hier, maar Sneeuwwitje in de bergen bij de zeven dwergen is nog duizendmaal schooner dan gij". Toen zij de spiegel zoo hoorde spreken, beefde zij van toorn. "Sneeuwwitje moet sterven", riep zij uit, "al moet het mijn eigen leven kosten". Zij ging nu in een verborgen kamer, waar niemand kwam, en maakte daar een vergiftigen appel. Hij zag er van buiten zoo heerlijk uit, dat ieder, dien hem zag, er lust in zou krijgen, doch wie een klein stukje daarvan at, zou moeten sterven. Toen de appel klaar was, verfde zij haar gelaat, verkleedde zich als een boerenvrouw en ging naar het huis van de zeven dwergen. Zij klopte aan. Sneeuwwitje stak het hoofd uit het raam en zeide: "Ik mag geen mensch binnenlaten, de zeven dwergen hebben het mij verboden". "Ook goed", antwoordde de boerin, "maar mijne appels moet ik toch kwijt. Hier, ik wil u er een geven". "Neen", zei Sneeuwwitje, "ik mag het niet aannemen". "Vreest gij soms voor vergift?" vroeg de oude, "zie, dan zal ik den appel in tweeen snijden, de roode helft is voor u en de witte zal ik opeten". De appel was echter zoo kundig gemaakt, dat alleen de roode helft vergiftigd was. Sneeuwwitje had lust in den mooien appel en toen zij zag, dat de boerin daarvan at, kon zij niet langer weerstand bieden, strekte de hand uit en nam de vergiftigde helft. Nauwelijks had zij echter een stukje ervan in den mond, of ze viel dood neder. Toen beschouwde de koningin haar met een afschuwelijken blik, lachte overluid en sprak: "Wit als sneeuw, rood als bloed, zwart als ebbenhout, ditmaal kunnen de dwergen u niet weder wekken." En toen zij thuis gekomen haren spiegel vraagde:
"Spiegeltje, spiegeltje aan den wand,
wie is de schoonste in het gansche land?"
antwoordde hij eindelijk:
"Koningin, gij zijt de schoonste in het land".
Toen was haar hart gerust, voor zover tenminste een boos hart rust hebben kan.
Toen de dwergjes 's avonds thuis kwamen, vonden zij Sneeuwwitje op den grond liggen, zij ademde niet meer, zij was dood. Zij tilden haar op, zochten of zij iets vergiftigs had, maakten haar corset los, kamden hare haren, wieschen haar met water en azijn, maar het hielp niets; het lieve kind was en bleef dood.
Zij legden haar op eene baar en zetten zich alle zeven daarbij neder, terwijl zij haar drie dagen beweenden. Toen wilden zij haar begraven, maar zij zag er nog zoo frisch uit als een levend mensch en had nog mooie roden wangen. "Zoo kunnen wij haar toch niet in de aarde leggen", spraken zij tot elkaar.
Daarom lieten zij een glazen kist maken, waar men aan alle kanten in kon zien, legden Sneeuwwitje er in en schreven met gouden letters haren naam erop en dat zij een koningsdochter was. Daarna zetten zij de kist op den berg en een van hen bleef erbij zitten om haar te bewaken. Ook de dieren kwamen en beweenden Sneeuwwitje, eerst een uil, daarna een raaf, ten laatste een duifje. Langen, langen tijd lag Sneeuwwitje nu in de kist, toch verging zij niet, maar zag eruit, alsof zij sliep, want nog altijd was zij: wit als sneeuw, rood als bloed en haar haren zwart als ebbenhout. Toen gebeurde het, dat een koningszoon door het bosch kwam en in het dwergenhuis een nachtverblijf zocht. Daar zag hij op den berg de kist met Sneeuwwitje erin en las, wat er met gouden letters op geschreven stond. "Geef mij de kist," sprak hij tot de dwergen, "ik zal u geven wat gij ervoor hebben wilt". Maar de dwergen antwoordden: "Wij geven haar niet voor al het goud van de wereld".
Toen sprak hij: "Schenk haar dan aan mij; ik kan niet leven zonder Sneeuwwitje. Ik zal haar in eere houden". Toen hij zoo sprak, kregen de goede dwergjes medelijden met hem en gaven hem de kist en de koningszoon liet hem door zijn dienaren op de schouders wegdragen. Het geschiedde nu, dat zij struikelden en daar schoot door den schok het giftige stukje appel Sneeuwwitje uit de keel. Het duurde niet lang, of zij opende de oogen, hief den deksel der kist in de hoogte, zat overeind en riep uit: "Waar ben ik toch?" Vol vreugde antwoordde de prins: "Gij zijt bij mij", vertelde haar, hoe alles gebeurd was en zeide: "Ik heb u meer lief dan iets ter wereld, ga met mij naar het slot mijns vaders en word mijne gemalin".
Sneeuwwitje stemde hierin toe, ging met hem mede en hunne bruiloft werd met veel pracht gevierd.
Ook Sneeuwwitjes goddelooze stiefmoeder werd tot het feest uitgenodigd. Toen zij zich prachtig gekleed had, trad zij voor den spiegel en sprak:
"Spiegeltje, spiegeltje aan den wand,
wie is de schoonste van het gansche land?"
De spiegel antwoordde:
"Koningin, gij zijt hier de schoonste,
maar de jonge koningin is duizendmaal schooner dan gjj!'
Toen verschrikte de booze vrouw zoozeer dat zij zichzelf geen meester meer was. Eerst wilde zij niet naar de bruiloft gaan, maar zij vond geen rust, zij moest erheen om de jonge koningin te zien.
Toen zij de koninklijke zaal binnentrad, herkende zij terstond Sneeuwwitje en stond als verstomd van schrik. Men had echter ijzeren pantoffels boven een kolenvuur gloeiend gemaakt, met ijzeren tangen werden zij binnen gedragen en zij werd gedwongen de rood gloeiende schoenen aan te doen en daarmede te dansen, tot zij dood neerviel.
Onderwerp
AT 0709 - Snow-White   
ATU 0709 - Snow White.   
Beschrijving
Koningin prikt met naaien in de vinger en wenst een kind wit als sneeuw, rood als bloed en zwart als het ebbenhouten raam, krijgt zo'n kind en noemt het Sneeuwwitje. Ze sterft, de koning hertrouwt weldra een schone, maar trotse vrouw met een toverspiegel, die ze vraagt: "Spiegeltje, spiegeltje aan den wand,
wie is de schoonste in het gansche land?" De spiegel zegt, dat zij dat is, tot Sneeuwwitje 7 is, dan is die het mooiste en de koningin beveelt de jager haar in het bos te doden en longen en lever te brengen. Hij heeft medelijden en laat haar gaan. Na lang dwalen komt Sneeuwwitje bij een huisje, eet en gaat slapen. Dan komen de 7 dwergen, die haar als huishoudster in dienst nemen en waarschuwen voor de stiefmoeder. Die weet weldra van haar spiegel, dat Sneeuwwitje nog leeft in de bergen bij de 7 dwergen en gaat erheen, eerst met een corset, dan met een giftige kam en tenslotte met een giftige appel en nu lukt het de dwergen niet meer Sneeuwwitje tot leven te brengen en ze leggen haar in een glazen kist op een berg. Een prins wil de kist, krijgt hem en laat hem wegdragen, maar de kist valt, het stukje appel komt uit de keel en Sneeuwwitje ontwaakt. Huwelijk, bestraffing van stiefmoeder.
wie is de schoonste in het gansche land?" De spiegel zegt, dat zij dat is, tot Sneeuwwitje 7 is, dan is die het mooiste en de koningin beveelt de jager haar in het bos te doden en longen en lever te brengen. Hij heeft medelijden en laat haar gaan. Na lang dwalen komt Sneeuwwitje bij een huisje, eet en gaat slapen. Dan komen de 7 dwergen, die haar als huishoudster in dienst nemen en waarschuwen voor de stiefmoeder. Die weet weldra van haar spiegel, dat Sneeuwwitje nog leeft in de bergen bij de 7 dwergen en gaat erheen, eerst met een corset, dan met een giftige kam en tenslotte met een giftige appel en nu lukt het de dwergen niet meer Sneeuwwitje tot leven te brengen en ze leggen haar in een glazen kist op een berg. Een prins wil de kist, krijgt hem en laat hem wegdragen, maar de kist valt, het stukje appel komt uit de keel en Sneeuwwitje ontwaakt. Huwelijk, bestraffing van stiefmoeder.
Bron
Roger van Laere, KULHANNES, Liempde 1992, 41-47
Commentaar
voor 1992
Snow-White
Naam Overig in Tekst
Kulhannes   
Sneeuwwitje   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
