Hoofdtekst
Met de koe aan een touw en in z'n andere hand 'ne klippel, waarmee Jozep de koe tegen haar neus aantikte of tegen d'r billen aansloeg, als ze lastig werd, ging hij naar de stier. Meestal naar Hannes Rul, die woonde het kortste bij. Als het wou, zoals het zijn moest en de koe drachtig was, dan kreeg ze na negen maanden 'n kalf. Een stier -of een maalkalf, die Jozep verkocht, vetmestte of aanleidde.
Toen Jozep 50 jaar werd en 's morgens opstond, was het kalf, dat z'n roodbonte koe daags tevoren gekalfd had, kapot. Dit was niet zo erg, maar toen in hetzelfde jaar ook nog het kalf van z'ne witkop en van zijn grijze koe kapot gingen, werd het erger. Jozep liep ongemakkelijk en z'n wijfke sliep slecht. Nee, drie kalveren achter elkaar kapot, dat kon niet. Dat was te gek. Op deze wijze raakte hij uit z'n jong vee. Niemand begreep er iets van.
"D'r waar 'n donderbui gewist. De stal waar aoling onder 't waoter geskoten. Daor laag 't aon", dacht Kulhannes.
Jozep vertrouwde het niet. Het was een ziekte of het was hekserij, de zogenaamde "kaoi haand", die genadeloos toesloeg.
Toen het jaar daarop z'ne witkop drachtig was, ging hij op bedevaart en liep op zijn klompen de kanten van Heeswijk uit.
Daar trof hij iemand, die zei, dat hij met erwten in z'n klompen terug moest lopen. De boetetocht naar Heeswijk had echter niet geholpen, want toen de koe gekalfd had en Jozep het kalf bij z'n buurman op stal gebracht had, ging het toch na 'nen dag of twee kapot.
Jozep was van Grard van Kosse, die rijk en laat getrouwd was en in de Kapelstraat woonde, aan de weet gekomen, dat er in Haaren 'nen pastoor woonde, die in de ban van de kerk was en de macht had om zo iets aan te pakken. Kapelaan Verhoeven, die met iedereen akkerderen kon en in Liempt kapelaan was, had tegen Jozep gezegd:
"Naor Haoren
is naor d'n duvel vaoren.
Dieën miens is in de ban,
'k weet wê-t-ie kan.
Jozep, blèf thoos,
bè oew wêfke en oew kroos".
Maar Jozep, die ergens troost zocht, trok zich van het gezegde van de kapelaan niks aan. Op 'ne zondagmorgen toepelde hij naar Boxtel en liep over Esch naar Haaren. 's Middags om 'n uur of twaalf klopte hij op de deur van het huis, waar de pastoor woonde.
"Kom binnen", zei de pastoor, die deed alsof hij Jozep al jaren kende, "en zeg 'ns wat er aan schort". Toen Jozep verteld had, dat hij vier kalfkes op 'n rij kapot had, zei de pastoor met opgetrokken wenkbrauwen, dat
hij hem niet helpen kon. Hij kon niks voor hem doen.
Helaas. "Maar", zei hij, "ik heb gehoord en ik weet het bijna zeker, dat er in Liempde 'n vrouw woont, ik meen
dat ze Hanne of Drieka Koppens heet. Ze is zowat van dezelfde leeftijd als ik of iets jonger. Ga daar maar
heen. Die kan je waarschijnlijk helpen".
Vol goede moed stapte Jozep weer naar huis toe en toen hij in Liempde was, ging hij rechtstreeks naar de moeder van Piet Koppens. Van Drieka kreeg hij een blauw vierkantig linnen zakske met iets er in. 't Was krêk 'n scapulier. Drieka vertelde, dat hij direct na de geboorte van 'n nêi kuuske 't lapke met 'n touwke om de nek van het pasgeboren kalf moest hangen. Negen dagen moest 't blauwe lapke blijven hangen en diezelfde dagen moest Jozep 's avonds na het Rozenhoedje negen Onze Vaders bidden voor het nêi kuuske. En werkelijk, 't hielp. De kalfkes van Jozep bleven leven en sinds hij 't lapke van Drieka gebruikte en negen Onze Vaders bad ging er, God zij dank, geen kalf meer kapot.
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Kulhannes   
Jozep van Marte Driekskes   
Hezelaar   
Hennes Rul   
Van Esse   
Skoene   
Grard van Kosse   
Kapelaan Verhoeven   
Hanne   
Drieka Koppens   
Piet   
Naam Locatie in Tekst
Kapelstraat   
Hoef   
Kasteren   
Haaren   
Liempde   
Esch   
Boxtel   
Heeswijk   
