Hoofdtekst
De schat van Velderen
Er werd gezegd, dat er in de Kremershoek op Velderen, vlakbij* d'n Vêrkensbult, een ijzeren kist diep in de grond zat. Een grote kist, vol met gouden munten, oorhangers, kettingen en zilveren sieraden.
'Nen kremer (winkelier) uit Oirschot, die lopen kon als 'nen haan, die op visite ging, wist waar de kist in de grond zat. Op 'n avond ging hij te veld. Het was laat in de zomer en rauw weer. Krêk baumesweer. De lucht was van streek en het waaide hard.
"Zwarzige wolken hongen aon de locht. De wêind donsde en hoesde dur de takken van 't skarhout. De toppen van de beum dinnen vechten en slaon", zei Kulhannes.
De kremer zag de drijvende donkere wolken en de slaande takken, maar liet zich er niet door uit het veld slaan. Hij trotseerde het geraas van de wind en het vallen van de duisternis en liep met een bijl op z'n rug en een schop in z'n hand, dwars door de hei naar Velderen.
Toen hij een tijdje gelopen had, sprong er plotseling iets voor hem, dwars over de weg. Verstijfd van schrik bleef de kremer staan. Zijn haar kroop steil overeind. Bladeren ritselden en een rammelend geluid verdween
in het duister. Het leek wel een beest met een ketting.
"Es ie wir kumt en ie kumt dichtbij dan nêij ik 'r mi m'n skup tegenaon", dacht de kremer. Er gebeurde niks. De wind blies tegen zijn malse broek aan en het weer werd rauwer en rauwer. Met een hollend hart en veel schrik in zijn kremerslijf liep hij verder, richting Liempde. Zijn haar lag nog niet plat op z'n bolle kop of hij hoorde weer, dwars door het geraas van de gierende wind heen, het gerammel van de ketting.
"Kom op", dacht de kremer en knelde de schop wat vaster in zijn vuist. Maar weer gebeurde er niks en de kremer liep met de bijl op zijn rug en de schop in zijn hand verder.
Geplaagd door het geluid van een rammelende ketting bereikte hij tenslotte de plek in Velderen, waar de kist in de grond zat. De kremer bedacht zich geen moment, nam de bijl van zijn rug af, greep z'n neergelegde schop en begon te spitten. Van een klein kuiltje maakte hij een groot gat. Dieper en dieper groef hij. Het zweet liep van zijn voorhoofd. Ineens stuitte hij met zijn schop op een ijzeren voorwerp. "De kiest, de skat", dacht de kremer. Hij hoorde het geld al rammelen en zag de sieraden reeds schitteren. Het bloed kookte in zijn aderen, z'n adem stokte en het geraas in de lucht verstomde.
Maar ach, ach ach!
Juist toen de kremer met zijn schop het deksel van de kist had schoongemaakt en met zijn bijl wilde openen, sprong er 'nen hond met een ketting om z'n nek boven op de kist. De kremer schrok gruwelijk, liet zijn bijl vallen, sprong uit de put en ging er vandoor. Sakkerdjuu, wat ging ie er tussenuit. Zo hard als hij lopen kon, liep hij richting Oirschot. En nog harder liep hij, toen hij in de verte, links van de weg, een paar schimmen zag. Witte gestalten. Het leken wel ouwe wijven met gespreide armen, 'nen hoed op d'ren kop en 'n laken over d'r lijf. Steeds dichterbij kwamen ze en schreeuwden:
"Kremer, kremer wij vatten oe.
Kremer, kremer, wij pakken oe".
De kremer hoorde dit nagenoeg niet. Zo'n schrik en haast had hij. Gruwelijk. Hij liep dan ook zo verschrikkelijk hard, dat zijn voeten nauwelijks de grond raakten en hij Oirschot bijna voorbij was voordat hij wist, waar ie was.
[*valkbij]
Er werd gezegd, dat er in de Kremershoek op Velderen, vlakbij* d'n Vêrkensbult, een ijzeren kist diep in de grond zat. Een grote kist, vol met gouden munten, oorhangers, kettingen en zilveren sieraden.
'Nen kremer (winkelier) uit Oirschot, die lopen kon als 'nen haan, die op visite ging, wist waar de kist in de grond zat. Op 'n avond ging hij te veld. Het was laat in de zomer en rauw weer. Krêk baumesweer. De lucht was van streek en het waaide hard.
"Zwarzige wolken hongen aon de locht. De wêind donsde en hoesde dur de takken van 't skarhout. De toppen van de beum dinnen vechten en slaon", zei Kulhannes.
De kremer zag de drijvende donkere wolken en de slaande takken, maar liet zich er niet door uit het veld slaan. Hij trotseerde het geraas van de wind en het vallen van de duisternis en liep met een bijl op z'n rug en een schop in z'n hand, dwars door de hei naar Velderen.
Toen hij een tijdje gelopen had, sprong er plotseling iets voor hem, dwars over de weg. Verstijfd van schrik bleef de kremer staan. Zijn haar kroop steil overeind. Bladeren ritselden en een rammelend geluid verdween
in het duister. Het leek wel een beest met een ketting.
"Es ie wir kumt en ie kumt dichtbij dan nêij ik 'r mi m'n skup tegenaon", dacht de kremer. Er gebeurde niks. De wind blies tegen zijn malse broek aan en het weer werd rauwer en rauwer. Met een hollend hart en veel schrik in zijn kremerslijf liep hij verder, richting Liempde. Zijn haar lag nog niet plat op z'n bolle kop of hij hoorde weer, dwars door het geraas van de gierende wind heen, het gerammel van de ketting.
"Kom op", dacht de kremer en knelde de schop wat vaster in zijn vuist. Maar weer gebeurde er niks en de kremer liep met de bijl op zijn rug en de schop in zijn hand verder.
Geplaagd door het geluid van een rammelende ketting bereikte hij tenslotte de plek in Velderen, waar de kist in de grond zat. De kremer bedacht zich geen moment, nam de bijl van zijn rug af, greep z'n neergelegde schop en begon te spitten. Van een klein kuiltje maakte hij een groot gat. Dieper en dieper groef hij. Het zweet liep van zijn voorhoofd. Ineens stuitte hij met zijn schop op een ijzeren voorwerp. "De kiest, de skat", dacht de kremer. Hij hoorde het geld al rammelen en zag de sieraden reeds schitteren. Het bloed kookte in zijn aderen, z'n adem stokte en het geraas in de lucht verstomde.
Maar ach, ach ach!
Juist toen de kremer met zijn schop het deksel van de kist had schoongemaakt en met zijn bijl wilde openen, sprong er 'nen hond met een ketting om z'n nek boven op de kist. De kremer schrok gruwelijk, liet zijn bijl vallen, sprong uit de put en ging er vandoor. Sakkerdjuu, wat ging ie er tussenuit. Zo hard als hij lopen kon, liep hij richting Oirschot. En nog harder liep hij, toen hij in de verte, links van de weg, een paar schimmen zag. Witte gestalten. Het leken wel ouwe wijven met gespreide armen, 'nen hoed op d'ren kop en 'n laken over d'r lijf. Steeds dichterbij kwamen ze en schreeuwden:
"Kremer, kremer wij vatten oe.
Kremer, kremer, wij pakken oe".
De kremer hoorde dit nagenoeg niet. Zo'n schrik en haast had hij. Gruwelijk. Hij liep dan ook zo verschrikkelijk hard, dat zijn voeten nauwelijks de grond raakten en hij Oirschot bijna voorbij was voordat hij wist, waar ie was.
[*valkbij]
Onderwerp
sinsag 1267 - Das zugeschüttete Loch.   
Beschrijving
Een kremer uit Oirschot wil de schat van Velderen gaan lichten, gaat met schop en bijl erheen, hoort een beest aan een ketting rammelen. Komt op de hei op de plek, graaft, vindt de kist, maar net als hij hem wil lichten, springt een hond met ketting op zijn nek en hij rent hard weg. Onderweg hoort hij wittige wijven schreeuwen:
"Kremer, kremer wij vatten oe.
Kremer, kremer, wij pakken oe".
"Kremer, kremer wij vatten oe.
Kremer, kremer, wij pakken oe".
Bron
Roger van Laere, KULHANNES, Liempde 1992, 83-84
Commentaar
voor 1992
Das zugeschüttete Loch.
Naam Overig in Tekst
Kulhannes   
Velderen   
Varkensbult   
Vêrkensbult   
Naam Locatie in Tekst
Kremershoek   
Oirschot   
Liempde   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
