Hoofdtekst
Lang geleden woonde er op Kasteren een klein, zwart gebruind, grof gerimpeld wijfke met lange peperkleurige haren. Nelia heette ze. Ze was knap oud, woog negenennegentig pond, liep op zwarte riemklompen en droeg vaak een grauw wit slaapmutske met 'nen brede rand. Nelia kwam nergens. Ze was altijd thuis. Overdag hing ze vaak in de deur van de stal tegen 'ne rijstebessem aan of ze drentelde met 'n ouwe hark in d'n hof wat rond. 's Avonds, in de griebelgrauw, kroop ze ooit met 'n wit laken over d're kop onder de heg en 's nachts zat ze ooit met 'n blaaspijp in d'r hand bij 't gedoofde vuur.
Kinderen, die uit Olland kwamen en in Kleinder Liempt bij d'n brouwer natte gist moesten halen, hadden schrik van Nelia.
Nelia, die 'n klap van de geit gehad had, woonde in een laag huiske, vlakbij 'n rauw bos, niet ver van het Hemelrijk af. Voor haar huiske, dat overschaduwd werd door rijzende populieren, liep 'ne rotte zandweg met diepe karsporen. Er werd gezegd, dat als iemand met 'nen korf eieren onder de arm, 's avonds in het donker vóór haar huiske de zanderige straat schuin overstak, hij meteen 'n klap in z'n nek kreeg.
"Nelia waar 'n apart wêismiens. Ze hâ de naom, dê ze iet meer kos ês aander miensen. Es Nelia getêijd waar oe te kullen dan viet ze oe onder de knie en ês ze mi oe aon 't hillen waar, kos ze mi oe doen wê ze wôu", zei Kulhannes
Dat Nelia behept was met een geheimzinnige kracht, ondervond Bertus. Bertus, 'nen boer, die zich doorgaans geen spurrie in de neus liet zaaien en van kuuske tot koe geworden was, woonde in Kasteren op een oud boerengedoentje.
Een heel eind achter de boerderij lag het bakbuis. Een zanderig pad, de kromme pad genaamd, die omrand was met dikkoppige bomen, leidde naar het kaduke bakhuis.
Kulhannes, die Bertus zo goed kende als de pastoor zijn meid, wist, dat hij meer als eens door Nelia in de tang genomen werd. 's Nachts als Bertus met zijn donkerblauwe slaapmuts op, naast zijn malse vrouw in d'n todhoop lag en snurkte, werd hij ooit overmand door een onweerstaanbare bak-drang. Hij kon dan niet blijven liggen. Of hij wou of niet. Zodra Bertus 's nachts een Neliase opwelling kreeg, vloog hij z'n bed uit. Met 'ne dikke kop en een bezweet bovenlijf trok hij dan zijn manchesterse broek en gelapte kiel aan en liep hij op zijn klompen met een pruim tabak in zijn mond, over de kromme pad naar het bakhuis, waar hij met duvels geweld aan het bakken ging.
Op een keer, toen Bertus weer naar zijn bakhuis werd gedreven, was het aarde donker en waaide het keihard. De wind gierde over het land: De bomen, die naast de kromme pad stonden, kropen in mekaar en de waaierende takken sloegen met hun toppen haast tegen de grond aan. En een lawaai in de lucht. Gruwelijk. 't Was alsof er een klucht krijsende katten en een school jankende kinderen door de lucht vlogen. Zo'n herrie was 't. Door de zwiepende wind, het helse lawaai en de diepe duisternis raakte Bertus van de kromme pad af. Hij zocht en zuchtte, draaide en keerde, maar wat hij ook deed, hij kon niet meer op de pad komen. De kluts en de richting was hij helemaal kwijt. Urenlang kloefte hij rond. Over de gegroefde akkers, door de ruige bossen, langs de vochtige beemden en steeds hoorde hij Nelia roepen.
"Wijer, Bertus, wijer
Apperentie, Bertus, apperentie,
Nog effe, Bertus, nog effe".
Zijn voeten werden zwaar, zijn armen hingen als hangijzers aan zijn lijf en zijn broekspijpen klapperden tegen zijn benen aan. Na uren ronddolen kwam hij uiteindelijk weer thuis.
Het was stil in d'n hêrd. De vochtige kilte droop van de bladderende muren af. De klok tikte en de wind was geluwd. Zijn wijfke sliep. Ze lag in de bedstee en had niet in de gaten, dat Bertus urenlang in Kasteren had rondgedoold.
De volgende dag, en zo vier nachten achter elkaar, moest Bertus, tussen twaalf en twee uur, zijn bed uit om te bakken. En elke keer gebeurde hetzelfde. Zodra hij op de kromme pad naar het bakhuis liep, begon het te waaien en te rommelen. De bomen kwamen op hem af, bogen voor hem neer en in het gedroes van de wind hoorde hij Nelia brommen en brullen:
"Bakken, Bertus, bakken
Brood, Bertus, brood.
Bakken, Bertus, bakken.
Mik, Bertus, mik"!
"Wê waar ie gekuld. Hij waar d'r aon. Hij hág 't nie mêr", zei Kulhannes, die Bertus aanraadde om naar iemand in Boxtel te gaan, die wijd op scheut was om pastoor te worden. Die man kon hem mogelijk van zijn Neliase kwelling afhelpen. Bertus deed het. Hij stapte over Onrooi naar Boxtel en toen hij bij dieën man was geweest, sliep hij goed. Tussen twaalf en twee uur 's nachts snurkte hij niet en sliep hij goed. De hele nacht. Echter niet lang, want elf dagen later moest Bertus weer zijn bed uit om te bakken. Buiten was het stil. De maan scheen en 't paard nirrikte. Zonder veel moeite bereikte Bertus het bakhuis, maar toen hij met bakken begon, kon hij er niet mee ophouden.
Hij bleef aan het bakken. Het ene brood na de andere mik schoof hij in en uit d'n oven. De gehele nacht en dit nachten achter elkaar.
Bertus raakte uitgeput. Z'n neus liep als de uier van 'n koe, die pas gekalf had en zijn broek zakte over zijn enkels. Hij werd kaler, bleker en magerder. "Hij stierf ûit z'n kleer", zei Kulhannes. Bertus kon het in Kasteren niet uithouden. Hij hield op met boeren en verhuisde met zijn vrouw en zeven kinderen naar St. Oedenrode.
Toen Bertus 'n tijdje in Rooi woonde, droomde hij 's nachts tussen twaalf en twee uur van een begrafenis. In zijn droom zag hij een lijkstoet, die van Kasteren over de Molendijk naar het dorp trok. Een man met een groot zwart kruis liep voorop. Daarna volgde een zwart paard en een boerenkar. Op de kar stond een ruwe houten kist. In de kist lag een zwartgebruind vrouwke met peperkleurig haar en opgetrokken knieën. Achter de kist liepen enkele mensen, diep in de rouw. De ene liep recht, de andere krom en 'n enkeling trok met z'n been. Ze zeiden niks of niet veel. Plots werd hun stilzwijgen gebroken door de klanken van luidende klokken. Bertus schrok en werd wakker. Zijn vrouw snurkte. Diezelfde dag hoorde hij op de markt in Rooi vertellen, dat Nelia uit Kasteren met kromme knieën gestorven en begraven was. Bertus zuchtte diep en sliep sindsdien 'n gat in de nacht.
Onderwerp
sinsag 0540 - Hexe führt irre   
Beschrijving
"Wijer, Bertus, wijer
Apperentie, Bertus, apperentie,
Nog effe, Bertus, nog effe".
Na uren dolen kwam hij eindelijk thuis. Kulhannes raadde hem aan naar Boxtel te gaan, waar een geestelijke hem van de Neliase kwelling afhielp, zij het van korte duur. Toen verhuisde Bertus met vrouw en kinderen naar St. Oedenrode. Dan droomt hij eens van een begrafenis, hoort dat Nelia gestorven is en slaapt voortaan rustig.
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Kulhannes   
Nelia   
Olland   
Kleinder Liempt   
Bertus   
Onrooi   
St. Oedenrode   
Naam Locatie in Tekst
Hemelrijk   
Kasteren   
Boxtel   
Molendijk   
