Hoofdtekst
Op een zomerse avond zat Kulhannes bij ome Sjef in d'n hêrd te buurten over vrouwen en katten, toen de hond blafte en de buurman binnenkwam.
"Ge komt ês geroepen, buurman. D'r worde gezeed, dêt 'r gienderwijd in 't Broek 'nen miens woont, die z'n êigen ês 'nen wirwolf vermolmen kan. Ik hê d'r nooit niks af geheurd of gezien", zei ome Sjef. De buurman meende er ooit iets over gehoord te hebben. Kulhannes echter wist krêk hoe het zat en vertelde toen het verhaal over Knillis.
Wie was Knillis? "Knillis waar 'n gestruikt boeremênneke mi 'nen dikke kop, bruinzige taand, 'n krom neus, bree wenkbrauwes en stêile haor. Hij hâ aalt 'n paor grote zwarte klompen aon en droeg 's wêrkendaogs 'nen blauwe gestripte keel mi lêpkes d'r op en 'n kaol turkslere broek mi 'n klep. Um z'ne nek hât-ie 'n kettingske en 't kroôs van z'n broek hong bekant op z'n knieës. Knillis waar 'ne gladzak in z'n praoten en rauw in de mond. Es ie tegen kêinder gepraot hâ, hâ'n d'ouw lui skrik van d'r êigen kêinder", zei Kulhannes.
Knillis scharrelde 'n beetje in vee en witte kolen, deed overdag wat boerenwerk en huuide 's nachts in de sprei. Zijn boerderijke lag langs de rijksweg van Den Bosch naar Eindhoven. Op dit langgerekt, door de tand des tijds aangetast oud boerengedoentje, dat eenvoud en armoede uitademde, leefde Knillis met 'n paard, 'n varken, twee koeien, dertien kippen, 'n vrouwke en een heel stel kinderen.
In het voorjaar werkte hij als 'nen boer, die de lap niet neffen 't gat zette en in het najaar, als de bladeren van de bomen vielen en sommige boeren met een koe naar de stier liepen, nam Knillis ooit de gedaante van een woeste hond aan, werd gezegd. Niemand wist waar en wanneer. Alleen Govert uit Hezelaar wist het. Die had het aan den lijve ondervonden.
Govert was 'nen boer met weinig hooi op zolder. Zoals zoveel boeren teelde hij rogge, haver, boekweit, vlas en ook 'n beetje aardappelen. In d'êkker op de zwaarste grond had hij ieder jaar 'nen plak van 'nen leupes of twee, drie met kraolen, saksen, noorderlingen, ijselsterren of blauwpuntjes (soort aardappelen).
In het voorjaar pootte hij met 'n houten ploeg en 'n paar strakke benen de zogenaamde zetters. En tegen de tijd, dat de pootaardappelen goed aan het groeien gingen, kroop hij met zijn vronw en 'n slechte broek aan over het land om het onkruid er uit te trekken en de grond los te krabben.
"Wie z'n êigen hofke wiedt, ziet 't pluksel bij iemes aanders nie", dacht Govert.
In september-oktober hanteerde hij de rooi-riek en gooide zijn vrouw de gestoken aardappelen in een mand. De grote aardappelen gooide ze in een grote mand en de kleinere in een andere mand. Vervolgens werden de aardappelen in zakken geschud en met paard en kar naar huis gehaald. De kleine aardappelen voeierde Govert op aan de koeien en het varken en de grote aardappelen schudde hij in de kelder onder de bakoven of in de kuil bij den dries. Met wat er aan kraolen of saksen overbleef, ging hij naar de markt, onder andere naar de markt in Eindhoven.
"Nie beters te weten waar 't in Endhoven, in d'n herfst en lichelijk wel twee maond aon 'n stuk, alle dinsdage êrrepel- en kolemêrt", zei Kulhannes.
Met paard en hoogkar en in zakken van honderd pond bracht Govert de daags tevoren uitgezochte aardappelen naar de markt. 's Nachts om 'n uur of twee, half drie, spande hij in en vertrok. Met of zonder de grauwe huif over de kar, afhankelijk van het weer en onder de kar 'ne rosdoek met wat hooi, haver en brood voor 't paard en enkele boterhammen voor z'n eigen, reed Govert over de lange bonkige keiweg van Liempde naar Eindhoven.
"'k Ben d'r nie bij gewist, mêr d'r worde gezeed, dê Napoleon zelf de keien geleed hê. 't Waren toch zo'n stom keien. Op dieën keiwegt butsten de raoi van de kaar van d'n ene bult naor 't aandere gat en oew êingewaand ôk", zei Kulhannes.
Op de markt in Eindhoven spande Govert zijn paard uit en verkocht hij de aardappelen aan iedereen, die ze hebben wou. De ene kocht 'nen zak en d'n andere 'ne kwak. Voor acht stuivers per vat vlogen de aardappelen van zijn kar af. Net zo lang tot hij uitverkocht was. Dan spande hij z'n paard weer tussen de burries en reed naar huis toe.
In 1918, op 'nen herfstige dinsdag in oktober, was hij 's middags rond half drie al zijn aardappelen kwijt. Met een lege kar en enkele guldens in zijn geldbuiltje zoedelde hij naar Liempde. Het paard liep stapvoets, de kar sprong van de ene kei van de weg op de andere en Govert zat met z'n pijp in z'n mond op de schei van de kar, krêk achter het paard z'n kont.
Hij keek 'ns hierheen en daarheen, praatte tegen z'n paard of zei niks, want Govert was gene zwetskloot en zijn paard kende de weg.
In Acht stopte hij bij de Achtse Peer. Dat was een boerenherberg, waar zijn paard enkele sneeien brood met wat haver kreeg en Govert 'n bakske koffie zonder suiker dronk. Na de koffie ging het weer verder. Maar wat gebeurde er?
Ter hoogte van Best zag hij plotseling langs de karweg 'nen grote, zwartgevlekte hond met 'ne stompe neus en 'ne kromme staart. Als 'n kalf zo groot was ie. Om z'n nek hing 'n ketting en uit zijn bek kwam 'ne rode zakdoek. Met vlammende ogen keek hij Govert aan. Z'n kop trilde, z'n lijf schudde en z'n kromme staart zwiepte op en neer. Govert trok stevig aan zijn pijp en voelde zich niks op zijn gemak. Temeer daar de hond met de rode zakdoek in zijn bek naast de achterste benen van het paard kwam lopen en bleef lopen. Geregeld hief hij zijn kop schuimbekkend opzij en keek hij Govert strak aan.
Govert, die van 'ne dolle hond en 'n veulen zonder kop geen schrik had, wist zich geen raad. "Es ie mêr langst
nêffen 't pêrd blêft lopen", dacht hij. Nauwelijks had hij dit gedacht of de hond sprong met duvels geweld op zijn rug. Govert schrok gruwelijk. Als versteend zat hij op de schei van de kar en kon geen woord zeggen. Pas toen hij de klauwende voorpoten om zijn keel en de klemmende achterpoten van de zwarte hond om zijn vege lijf voelde knellen, riep hij alle Heiligen uit d'n hemel bij mekare. De Heiligen deden niks en Govert vocht met zichzelf en de hond. Als 'nen rauwe boer probeerde hij het beest van zijn rug af te schudden. Hij schopte, schreeuwde, zwaaide en sloeg, maar wat hij ook deed, het lukte niet. De hond grauwde en bleef hangen, de kar kraakte en bleef klinken en het paard liep verder. Hoe harder Govert schreeuwde des te harder de kar kraakte, de hond bromde en het paard liep.
Het was windstil en de lucht was grauw. Donker grijze wolken grepen elkaar vast en Govert voelde zich als een eenzame, geketende gevangene op z'n eigen krakende kar. Plotseling, halverwege Best en Liempde, werd het klinkend gekraak van zijn kar gebroken door heldere klanken van een luidend Angelusklokje. Het paard schrok. De hond zweeg. En Govert? Hij maakte een kruisteken en bad het Onze Vader. "Amen, Amen", riep hij uit. Toen viel de woeste, zware hond brullend en brommend, als 'ne kluit aarde van zijn rug af, verdween en verloor zijn ketting.
Govert slaakte een diepe bevrijdende zucht en zweeg, de kar kraakte en praatte en het paard liep verder en harder. Rond 'n uur of zes kwam hij bij de boerderij van Knillis aan. De boerderij lag op 'n balscheut van de karweg af en Knillis was vóór het huis de sloot aan het schoonmaken. Toen hij Govert zag, stak hij z'n hand omhoog en riep: "Hoi Govert".
Govert zwaaide terug en zag krêk, dat Knillis geen ketting droeg en de flarden van 'nen rode zakdoek tussen z'n bruine tanden had.
Onderwerp
SINSAG 0801 - Werwolf lässt sich tragen.   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Kulhannes   
Sjef   
Knillis   
Govert   
Hezelaar   
Naam Locatie in Tekst
Den Bosch   
Eindhoven   
Broek   
Liempde   
Best   
Acht   
