Hoofdtekst
STREKERIJ
Kulhannes, die op de taalschool een keer was blijven zitten, omdat hij de tafels van tien niet kende, was krêk twaalf jaar oud, toen hij op het eind van het schooljaar zong:
'Meester, meester, ge bent bedankt.
Voor het zitten in de bank.
Voor het slaan op mijne rug.
Meester, meester, ik kom nooit meer terug;"
en de school verliet. Hij had genoeg geleerd om te kunnen werken, meende hij. En werken, dat kon ie. Als jungske, die het wiegestro nog aan z'n gat had hangen, liet hij de koeien drinken, voeierde hij het varken, haalde hij de kippeëieren uit 'n versleten mand, trok hij de klippels uit de mutserdmijt, veegde hij de voorstal, kruijde hij de mangelwortelen bij de staldeur, stauwde hij de koeien dagelijks van Mei tot Allerheiligen naar de wei, hielp hij mee rooien en oogsten en deed hij nog meer licht en zwaar boerenwerk.
Toen hij vijftien-zestien jaar oud was, zei vader: "Jungske, ons môier ziet oe liever op 't prevaat dan aon taofel. 't Is têd, dè ge op 'n aander geet". Kulhannes deed dit en ging als boerenknecht voor een jaarlijks traktement en 'nen zondagse zakcent bij 'nen boer in Hezelaar werken. "'t Waar 'nen koelard van 'nen boer, die gruwelijk brommen kos. Es ie gromde, waar 't krêk 'nen fokstier", zei Kulhannes. Als boerenknecht werkte hij van St. Maarten tot St. Matthijs de hele dag. 's Morgens om 'n uur of half zes plaste hij niet meer in z'n bed, krêk als d'n brommende boer, die hij diende. En 's avonds rond 'n uur of half tien-tien ure, dook hij, krêk als 't pronte wijfke van d'n boer, d'n todhoop in.
Afhankelijk van de tijd van het jaar en de dag, werkte Kulhannes op de stal, in de schuur, op de misse, op 't land, op de hei of in de bossen. Zomer en winter en elke dag peuterde hij mee aan met dieën boer, die gruwelijk brommen kon. Hij hielp zaaien en maaien, hooien en oogsten, dorsen en houtkappen, de koeien stauwen en strauwen, de sopketel stoken en 't gruun plukken, mestbreken en aardappelen rooien, de knollen spoelen, de varkens voeieren, de potstal uitvaren en hij deed allerlei ander boerenwerk, dat van hem werd gevraagd. 's Avonds, op een doordeweekse dag, als hij afgewerkt was, ging Kulhannes ooit steentje ketsen, 'n wijltje
beugelen of 'n pijpke buurten. En 's zondags, als hij de koeien niet moest voeieren, melken of strauwen, kloefte hij ooit naar 'n herberg om 'n partijtje te katten. Of hij probeerde wat eieren onder een "aonkommend durske" te leggen. Dan ging hij alleen of met enkele jonge kerels meer op fortuin uit en bezocht hij d'n ene of andere boer, die zo wat effe zwaar was en 'n heel schoor jong meiden op d'n hêrd had. Of hij met 'n durske aan "speulen" toekwam, hing van de weegschaal af. Bij sommige boeren hing namelijk de punder achter de voordeur, zodra er 'ne jonge kerel binnenstapte, die meer wou dan alleen maar buurten.
Kulhannes, die op de taalschool een keer was blijven zitten, omdat hij de tafels van tien niet kende, was krêk twaalf jaar oud, toen hij op het eind van het schooljaar zong:
'Meester, meester, ge bent bedankt.
Voor het zitten in de bank.
Voor het slaan op mijne rug.
Meester, meester, ik kom nooit meer terug;"
en de school verliet. Hij had genoeg geleerd om te kunnen werken, meende hij. En werken, dat kon ie. Als jungske, die het wiegestro nog aan z'n gat had hangen, liet hij de koeien drinken, voeierde hij het varken, haalde hij de kippeëieren uit 'n versleten mand, trok hij de klippels uit de mutserdmijt, veegde hij de voorstal, kruijde hij de mangelwortelen bij de staldeur, stauwde hij de koeien dagelijks van Mei tot Allerheiligen naar de wei, hielp hij mee rooien en oogsten en deed hij nog meer licht en zwaar boerenwerk.
Toen hij vijftien-zestien jaar oud was, zei vader: "Jungske, ons môier ziet oe liever op 't prevaat dan aon taofel. 't Is têd, dè ge op 'n aander geet". Kulhannes deed dit en ging als boerenknecht voor een jaarlijks traktement en 'nen zondagse zakcent bij 'nen boer in Hezelaar werken. "'t Waar 'nen koelard van 'nen boer, die gruwelijk brommen kos. Es ie gromde, waar 't krêk 'nen fokstier", zei Kulhannes. Als boerenknecht werkte hij van St. Maarten tot St. Matthijs de hele dag. 's Morgens om 'n uur of half zes plaste hij niet meer in z'n bed, krêk als d'n brommende boer, die hij diende. En 's avonds rond 'n uur of half tien-tien ure, dook hij, krêk als 't pronte wijfke van d'n boer, d'n todhoop in.
Afhankelijk van de tijd van het jaar en de dag, werkte Kulhannes op de stal, in de schuur, op de misse, op 't land, op de hei of in de bossen. Zomer en winter en elke dag peuterde hij mee aan met dieën boer, die gruwelijk brommen kon. Hij hielp zaaien en maaien, hooien en oogsten, dorsen en houtkappen, de koeien stauwen en strauwen, de sopketel stoken en 't gruun plukken, mestbreken en aardappelen rooien, de knollen spoelen, de varkens voeieren, de potstal uitvaren en hij deed allerlei ander boerenwerk, dat van hem werd gevraagd. 's Avonds, op een doordeweekse dag, als hij afgewerkt was, ging Kulhannes ooit steentje ketsen, 'n wijltje
beugelen of 'n pijpke buurten. En 's zondags, als hij de koeien niet moest voeieren, melken of strauwen, kloefte hij ooit naar 'n herberg om 'n partijtje te katten. Of hij probeerde wat eieren onder een "aonkommend durske" te leggen. Dan ging hij alleen of met enkele jonge kerels meer op fortuin uit en bezocht hij d'n ene of andere boer, die zo wat effe zwaar was en 'n heel schoor jong meiden op d'n hêrd had. Of hij met 'n durske aan "speulen" toekwam, hing van de weegschaal af. Bij sommige boeren hing namelijk de punder achter de voordeur, zodra er 'ne jonge kerel binnenstapte, die meer wou dan alleen maar buurten.
Beschrijving
(zie kul001, kul005 en kul012)
Kulhannes gaat na het verlaten van de lagere school meteen werken bij zijn vader op de boerderij. Op zijn 15e of 16e gaat hij bij een andere boer werken
Kulhannes gaat na het verlaten van de lagere school meteen werken bij zijn vader op de boerderij. Op zijn 15e of 16e gaat hij bij een andere boer werken
Bron
Roger van Laere, KULHANNES, Liempde 1992, 103
Commentaar
voor 1992
Naam Overig in Tekst
Kulhannes   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
