Hoofdtekst
Onvergeeffelijcke Zonde.
Eener sijn Sonden gebiecht hebbende, by een Priester, wiert van de selve gevraeght, of hy nu alles geopenbaert hadde, wat hy met [p. 3] weten ghedaen hadt. En dewijl hy het slimste verswegen hadde, so gaf hy een sucht, seggende, ghy vraeght my te veel, Heer Vader. Ick doe niet, sey de Priester, segget my slechts, al wat ghy op u hert hebt, ick kan 't u altemael vergeven. Ach, antwoorde de ander, dat ick dat wist, ick openbaerde het u terstondt. Dat doet, sey de Paep; want ick verseker u vergiffenis. Den ander dan, seyde: Heer Vader, 't is op een tijt gebeurt, dat ick de suyvere Maeghde-blom van een Nonne gepluckt hebbe O! onvergeeffelijcke Sonde! sey de Paep, daer is geen meerder gruwel, als Godtsgeheylighde t'ontheyligen. En, sey hy voort, waer hebt ghy dat gedaen? In een hoeckje van de Kerk, antwoorde de ander, terwijl dat ghy predickte. O gruwel aller gruwelen! riep hy daer op; ik geloof dat het helsche vuur onder u beyde gebrandt heeft, toen ghy die godloosheyt pleegde. Iae, dat docht my al, sloegh d'ander daer op, want sy kost haer gat van hette qualijck stil houden.
Eener sijn Sonden gebiecht hebbende, by een Priester, wiert van de selve gevraeght, of hy nu alles geopenbaert hadde, wat hy met [p. 3] weten ghedaen hadt. En dewijl hy het slimste verswegen hadde, so gaf hy een sucht, seggende, ghy vraeght my te veel, Heer Vader. Ick doe niet, sey de Priester, segget my slechts, al wat ghy op u hert hebt, ick kan 't u altemael vergeven. Ach, antwoorde de ander, dat ick dat wist, ick openbaerde het u terstondt. Dat doet, sey de Paep; want ick verseker u vergiffenis. Den ander dan, seyde: Heer Vader, 't is op een tijt gebeurt, dat ick de suyvere Maeghde-blom van een Nonne gepluckt hebbe O! onvergeeffelijcke Sonde! sey de Paep, daer is geen meerder gruwel, als Godtsgeheylighde t'ontheyligen. En, sey hy voort, waer hebt ghy dat gedaen? In een hoeckje van de Kerk, antwoorde de ander, terwijl dat ghy predickte. O gruwel aller gruwelen! riep hy daer op; ik geloof dat het helsche vuur onder u beyde gebrandt heeft, toen ghy die godloosheyt pleegde. Iae, dat docht my al, sloegh d'ander daer op, want sy kost haer gat van hette qualijck stil houden.
Beschrijving
Een man biecht bij een priester. De priester vraagt of de man alles verteld heeft en verzekert de man vergiffenis voor al zijn zonden. Dan vertelt de man dat hij een non ontmaagd heeft in een hoekje van de kerk tijdens een preek van de priester. De priester is geschokt en zegt dat het vuur onder hen gebrand moet hebben, tijdens deze goddeloze daad, waarop de man met ja antwoordt.
Bron
Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen
Commentaar
1659
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22