Hoofdtekst
De ernstighe Geck.
Zeecker Vorst, hadde een Geck ten hoof, tot welcken een hoovelingh uyt boertery seyde: Ick sal u doot steken. Den Dweep, hier over bangh zynde, klaeghde aen den Vorst, in wat groot perijckel hy was. Den Vorst, hem troosten willende, zey: weest slechts gerust, indien hy u om den hals brenght, soo sal ick hem doen ophangen. Neen, riep de Zot, dat begeer ick niet, maer laet hem een dagh van te vooren op-hangen, eer hy my om 't leven brenght.
Zeecker Vorst, hadde een Geck ten hoof, tot welcken een hoovelingh uyt boertery seyde: Ick sal u doot steken. Den Dweep, hier over bangh zynde, klaeghde aen den Vorst, in wat groot perijckel hy was. Den Vorst, hem troosten willende, zey: weest slechts gerust, indien hy u om den hals brenght, soo sal ick hem doen ophangen. Neen, riep de Zot, dat begeer ick niet, maer laet hem een dagh van te vooren op-hangen, eer hy my om 't leven brenght.
Beschrijving
Een gek is aan het hof en iemand zegt voor de grap dat hij hem gaat doodsteken. De gek gaat naar de koning en die zegt dat als dat gebeurt, de dader wordt opgehangen. De gek vraagt of het een dag van tevoren kan.
Bron
Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen
Commentaar
1659
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22