Hoofdtekst
Snaacks bedrijf van een Schilder.
Eenen Schilder, die (naer den aert van dat Volck) garen goed cier maeckte, had op een tijdt een Nicht, die Bruydt geworden was, dese wist niet, ofse den Schilder wilde ter feest noodighen, vermidts hy sijne winste doorbrengende, altoos kaal en beroyt voor den dag quam; en derhalven de bruyloft ontcieren mochte. Den Schilder gewaer wordende, datse hem licktelick soude t'huys laten, schildert een weeck of twee heel naerstigh, soo dat hy, een schranderen geest zijnde, in die tijdt, ontrent twee à drie hondert guldens over-ghewonnen hadde, en toen treffelick gedost, op een schoon Paart, met een Knecht achter hem, voor-by [p. 16] de Bruydts huys quam ryden. Dese hem siende, sprack tegen hare Vrienden: Nu moeten wy onsen Couzijn ter bruyloft nooden, want hy hem, trots de beste van het landt, daer op heeft reedt ghemaeckt. Den Schilder dan, ter Bruyloft genoodt, en daer gekomen zijnde, soo sette hy sich fatsoenelijck neffens anderen aen Tafel; en terwijl d'anderen aten, nam hy't gebraedt, soo vet en smeerigh als het was, en wreef het over sijn nieuwe kleederen, seggende: Eet, kleeren, eet: want ghy zijt ghenoodt, en ick niet.
Eenen Schilder, die (naer den aert van dat Volck) garen goed cier maeckte, had op een tijdt een Nicht, die Bruydt geworden was, dese wist niet, ofse den Schilder wilde ter feest noodighen, vermidts hy sijne winste doorbrengende, altoos kaal en beroyt voor den dag quam; en derhalven de bruyloft ontcieren mochte. Den Schilder gewaer wordende, datse hem licktelick soude t'huys laten, schildert een weeck of twee heel naerstigh, soo dat hy, een schranderen geest zijnde, in die tijdt, ontrent twee à drie hondert guldens over-ghewonnen hadde, en toen treffelick gedost, op een schoon Paart, met een Knecht achter hem, voor-by [p. 16] de Bruydts huys quam ryden. Dese hem siende, sprack tegen hare Vrienden: Nu moeten wy onsen Couzijn ter bruyloft nooden, want hy hem, trots de beste van het landt, daer op heeft reedt ghemaeckt. Den Schilder dan, ter Bruyloft genoodt, en daer gekomen zijnde, soo sette hy sich fatsoenelijck neffens anderen aen Tafel; en terwijl d'anderen aten, nam hy't gebraedt, soo vet en smeerigh als het was, en wreef het over sijn nieuwe kleederen, seggende: Eet, kleeren, eet: want ghy zijt ghenoodt, en ick niet.
Onderwerp
AT 1558 - Welcome to the Clothes   
ATU 1558 - Welcome to the Clothes.   
Beschrijving
Een schilder is niet welkom op de bruiloft van zijn nicht, omdat hij er altijd zo armoedig uitziet. Hij gaat heel hard werken en koopt een paard en nieuwe kleren en neemt een knecht. Tijdens de maaltijd smeert hij zijn nieuwe kleren vol eten, omdat de kleren zijn uitgenodigd en niet hij.
Bron
Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen
Commentaar
1659
Welcome to the Clothes
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
