Hoofdtekst
[p. 17]
Bedroge trotsheyt van een Iuffer.
Een spytighe, doch seer schoone en welhebbende Iuffer, wierd dagelijcx, niet alleen van veele Iongmans versocht, maer heymelick gevrijd, van persoonen, die haer in qualiteyt, geensins behoefden te wijcken. Zy hier op te moediger wordende, sagh niet aen, het nut en profijt, dat haer te kust en te keur wierd op-gedragen, denckende altoos, dat sy noch wel beter soude doen. Maer de tijdt, haer vel met jaren teekenende, dee niet alleen de Fortune, maer oock al de Vryers, die haer te voren bemindt hadden, allengs een afkeer van haer krijgen, so dat sy, nu bedaeght zijnde, sagh, dat de geene, die te voren haer gewillige dienaers waren, nu, met haer schoonheyt, waren van haer gescheyden. Sy dan, eenige jaren sonder jongh geselschap haer tijdt toe-gebracht hebbende, wiert evenwel, eyndelick van een drogen Sukkelaer weder ten huw'lijck versocht; en speurende, dat het geluck haer nu den rug gekeert hadde; so liet sy haer niet lang vryen: maer gaf hem het ja-woordt, met deesen aen-hang, dat: Indien hy in zeeker kreupel-bos, daer ontrent zijnde, de rechtste en braefste telgh konde af-snijden; in sulcker voegen: dat hy de wegh die hy eens ghepasseert was, niet weer soude moghen te rugghe passeeren, en de telgh, die hy het eerst af-gesneden hadde, soude moeten [p. 18] houden, en niet veranderen, soo soude hy haer ten Wijve hebben. Den Suffaert, hier toe dit aen-nemende, gaet van stonden aen naer het bos, en siende in 't begin, wel eenige schoone telghen, gingh al wat voorder, en dacht, dat hy'er noch wel beter soude vinden maer komende eyndelijck aen het eynde van het bos, vond daer niet als kromme en rompelige tacken en telghen; moetende hem alsoo met een lompigh houdtje behelpen, daer hy te vooren wel beter konde gekregen hebben. Als hy nu by de Iuffer quam, met soo een krom stockje, en sich ontschuldighde, dat hy wel beter konde gekregen hebben: maer hoopende, al noch beter te vinden, eyndelijck geen beter dan dit kreupel telgje konde op-speuren: so antwoorde hem de Iuffer: Dewijl u begheerigh oogh voor 't beste 't slechtste heeft ghekoozen: zoo mach ick dan (dewijl 't nu niet anders weesen kan) mijn avondt-tuer by 't uwe setten, en doen desgelijcks.
Bedroge trotsheyt van een Iuffer.
Een spytighe, doch seer schoone en welhebbende Iuffer, wierd dagelijcx, niet alleen van veele Iongmans versocht, maer heymelick gevrijd, van persoonen, die haer in qualiteyt, geensins behoefden te wijcken. Zy hier op te moediger wordende, sagh niet aen, het nut en profijt, dat haer te kust en te keur wierd op-gedragen, denckende altoos, dat sy noch wel beter soude doen. Maer de tijdt, haer vel met jaren teekenende, dee niet alleen de Fortune, maer oock al de Vryers, die haer te voren bemindt hadden, allengs een afkeer van haer krijgen, so dat sy, nu bedaeght zijnde, sagh, dat de geene, die te voren haer gewillige dienaers waren, nu, met haer schoonheyt, waren van haer gescheyden. Sy dan, eenige jaren sonder jongh geselschap haer tijdt toe-gebracht hebbende, wiert evenwel, eyndelick van een drogen Sukkelaer weder ten huw'lijck versocht; en speurende, dat het geluck haer nu den rug gekeert hadde; so liet sy haer niet lang vryen: maer gaf hem het ja-woordt, met deesen aen-hang, dat: Indien hy in zeeker kreupel-bos, daer ontrent zijnde, de rechtste en braefste telgh konde af-snijden; in sulcker voegen: dat hy de wegh die hy eens ghepasseert was, niet weer soude moghen te rugghe passeeren, en de telgh, die hy het eerst af-gesneden hadde, soude moeten [p. 18] houden, en niet veranderen, soo soude hy haer ten Wijve hebben. Den Suffaert, hier toe dit aen-nemende, gaet van stonden aen naer het bos, en siende in 't begin, wel eenige schoone telghen, gingh al wat voorder, en dacht, dat hy'er noch wel beter soude vinden maer komende eyndelijck aen het eynde van het bos, vond daer niet als kromme en rompelige tacken en telghen; moetende hem alsoo met een lompigh houdtje behelpen, daer hy te vooren wel beter konde gekregen hebben. Als hy nu by de Iuffer quam, met soo een krom stockje, en sich ontschuldighde, dat hy wel beter konde gekregen hebben: maer hoopende, al noch beter te vinden, eyndelijck geen beter dan dit kreupel telgje konde op-speuren: so antwoorde hem de Iuffer: Dewijl u begheerigh oogh voor 't beste 't slechtste heeft ghekoozen: zoo mach ick dan (dewijl 't nu niet anders weesen kan) mijn avondt-tuer by 't uwe setten, en doen desgelijcks.
Beschrijving
Een wat oudere vrouw, die heel wat minnaars heeft gekend, wordt eindelijk ten huwelijk gevraagd en stuurt haar toekomstige man naar een kreupelbos om het mooiste takje te vinden. De man vindt echter alleen maar oude en kromme takjes.
Bron
Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen
Commentaar
1659
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22