Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

TAMB049 - Falalderala is gangbaer geld

Een mop (kluchtboek), 1659

Hoofdtekst

Falalderala is gangbaer geld
Eenige jaren gheleden, logeerden eenighe Fransche Edel-lieden t' Amsterdam, in't schildt van Vranckrijck, op den Dam, en als sy al 6. a 7. hondert guldens verteert hadden, en garen vertrecken wilden, so sprack de Waard haer aen om gelt, maer zy geen geldt hebbende, seyden, dat zy alle uuren geldt van Angulesme verwachten, en seer verdrietigh waren, dat het niet quam, alsoo zy om saecken van ghewicht, over een dagh, of twee ten langhste, moesten vertrecken. Den Waard, en zy-lieden, dan wachteden met verlangen, maer vergeefs, eyndelick, dewijl d'Edel-lieden voort moesten; lieten een scheydmael aenrechten; en over 't selve wacker de Wijn schencken, om 's avonds alsoo met vreughde naer de [p. 33] stadt Goude te vertrecken. Den Waard, onder-tusschen in duysent ghedachten, niet wetende, wat hy soude doen, laet ten lesten een Schout met twee dieve-leyders halen, om, als het ten quaedtsten wilde, de selve tot sijn hulp te ghebruycken. Den Waard nu, boven komende, vraeghde weer, als voren, om geldt, maer kreegh het oude bescheydt, wy hebben gheen geldt, ghy moet ons voor dese reys borghen, tot ons gelt over-komt, wilt ghy ondertusschen een Obligatie hebben, die kunt ghy krijghen. De Waard seyde weêrom: ghy sult my van avont gelt gheven, of ick sal u laten in gyselingh setten. Doe wat ghy kunt, seyden sy wy sullen desgelijcks doen. Den Waard haelde hier op de Schout met sijn Dienaers boven, en als de selve boven quamen, schoncken sy hem lustigh de Wijn, en de Waard van ghelijcken, Vattende haer eyndelick by de hant, en sprongen lustigh met haer rondom. En als de Waard echter van gelt sprack, begonden zy te singen: Falalderala, Falalderala, kort, zy wisten van geen gelt geven; maer maeckten den Waard en de Schout half beschoncken. Als den Waard nu met de Schout raedslaeghde, watse best hier in doen souden: sey den Schout: Ick kan niet anders sien, of dit zyn fatsoen'licke lieden, van goeden huyse; my dunckt, ghy soud best doen, dat ghy haer liet passeeren; zy sullen u het geld niet soecken t' onthouden, en soo ghy haer [p. 34] in gyzelingh set, sult ghy noch veel onkosten doen: want zy sullen niet slecht ghetrackteert willen zijn. Kort, den waard liet hem bepraten, en de Gasten vertrecken. d'Edellieden nu hadden een contract gemaeckt met een Kruyer: dat hy haer bagagie aen de Schuyt soude brengen mids, dat hy daer voor een Ryxdaelder, en een Kan-wyn, soude hebben. Als de Kruyer nu het goet altemael aende Schuyt gebracht had en den Ryxdaelder eyschte, kreegh ten antwoordt, dat hy de Kan-wyn en de Ryxdaelder van de Waart soude ontfanghen: De Kruyer, denckende, dat sulcke luyden haer aen gheen Rijxdaelder souden laten kennen, ging naer de Herberge, en daer komende, liet een Kan-wijn tappen, de selve uytgedroncken hebbende, eyste van den Waard de Rijxdaelder. Deese, wat vreemt kykende, seyde, ik weet van geen Rijxdaelder, ghy moet my twaelf stuyvers voor myn wijn geven. Wel, sey de Kruyer, het volck, dat ghy ghehadt hebt, heeft my hier ghewesen om mijn Kruy-gelt hier te halen. Laet dan, sey de Waard, u met de munt betalen, daer se my betaelt hebben; vattende hem by de handt, en sprong en song van Falderala, Falalderala, &c. dat seyde hy, is hier van avont geldt; geeft ghy slechts my slechts twaelf stuyvers, voor de wijn. De kruyer hier op songh mee: van Falderala, Falalderala, &c. seggende is dit hier avondt gelt, soo sijn wy dan nu betaelt. Scheydende alsoo [p. 35] met dese troost van elckander. Evenwel, 3. a 4. Maanden hier naer, quam'er een Persoon by de selve Waard, met een wissel van 900. guldens, tot sijnen laste; seggende, dat hy uyt Vranckrijck quam. De waard, slecht kykende, seyde ick ken geen menschen in heel Vranckrijck: Den ander, niet langh veynsen konnende haelde 900. guldens aen gout uyt sijn sak; seggende krijght nu oock kennis, ha! ha, riep den ander; nu weet ick waer ghy heen wild, dit sal het gelt sijn, van die Edellieden, die over eenige weecken tot mijnent sijn gelogeert geweest. Dit komt my zeeker onverwacht ter handt. Den ander seyde: daer is noch een Rijxdaelder voor een Kruyer, en twaelf stuyvers voor een kan wijn die hy gedroncken heeft. Zeer wel, seyde de Waardt, grooten danck: ick Zal de kruyer het sijne geven, maer hoe quaat sy hier over sijn geweest, geef ik den Leser te denken.

Beschrijving

Enkele Franse edellieden hebben geen geld meer en betalen de waard met een liedje. De waard op zijn beurt betaalt hun kruier met een liedje. Na een tijd krijgen de waard en de kruier alsnog hun geld uit Frankrijk.

Bron

Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen

Commentaar

1659

Naam Locatie in Tekst

Frankrijk [Fransen]    Frankrijk [Fransen]   

Amsterdam    Amsterdam   

De Dam    De Dam   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:22