Hoofdtekst
¶ Het viij. capittel.
235 "Men en sal genen jongen meiskens teten geven die hoefden van
hazen, op dat sijs niet en gedencken alsi gehuwet sijn,
sonderlinge als si kint dragen, want hair kinder souden gesplitte
lippen hebben." (Glose) Margotte seide daer op: "Dat gebuerde
noch cortelinghe een mijnre nichten, want om dat si gegeten
240 hadt thoeft van eenen haze, so bracht haer dochter dair si af
groot ginc .iiij. lippen ter werelt."
235 "Men en sal genen jongen meiskens teten geven die hoefden van
hazen, op dat sijs niet en gedencken alsi gehuwet sijn,
sonderlinge als si kint dragen, want hair kinder souden gesplitte
lippen hebben." (Glose) Margotte seide daer op: "Dat gebuerde
noch cortelinghe een mijnre nichten, want om dat si gegeten
240 hadt thoeft van eenen haze, so bracht haer dochter dair si af
groot ginc .iiij. lippen ter werelt."
Beschrijving
Maandag, achtste kapittel. Jonge meisjes mogen geen hoofden van hazen te eten krijgen. Eten zij dit toch dan krijgen hun kinderen een hazenlip.
Bron
G.J.Boekenoogen (ed.): Die evangelien vanden spinrocke. 's-Gravenhage 1910 (facsimile)
Commentaar
ca. 1520
Naam Overig in Tekst
Margotte   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
