Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

BRAND006 - Van Sente Brandane

Een legende (boek), 1380 - 1425

Hoofdtekst

Doe si den vissche ontvaren
Ende wech zeylende waren,
345 Om te ziene meer wonder
Saghen si een eyselic commer
Up dwater voor hem gan;
Het wilde haer scip vaen
Ende verderven mettien.
350 "Wij en dorvent niet ontsien",
Sprac Sente Brandaen,
"Wij en hebben hem niet mesdaen;
Laet ons scip in Gods hant varen!
God sal ons van hem bewaren."
355 Half waest visch ende half wijf;
Al ru so was hem dat lijf;
Dicken omme ghinct den kiel.
Sente Brandaen neder viel
Up sine bloote knien
360 Ende bat Gode om zijn ontflien;
Sine moonke baden alle gader;
Dus verbaden si Gode onsen vader,
Dat dat vreeselike wonder
Bezijden haren scepe ghinc onder,
365 Dat zijt hoorden borlen ende wallen
Dien langhen dach al met allen
In dier dieper zee gronde.
Doe voeren si voort langhe stonde;

Beschrijving

Tijdens hun zeereis komen Brandaan en de monniken een monster tegen, half vrouw en half vis. Brandaan zegt dat het schip gewoon door moet varen, omdat de mannen het monster niks misdaan hebben. De monniken bidden tot God en het monster verdwijnt.

Bron

E. Bonebakker (ed.), Van Sente Brandane, naar het Comburgsche en het Hulthemsche handschrift. Amsterdam, 1894.

Commentaar

1380-1425
De indeling van de tekst is overgenomen uit: De reis van Sint Brandaan. Een reisverhaal uit de twaalfde eeuw, W. Wilmink (vert.) en W.P. Gerritsen (inl.). Amsterdam, 1996.

Naam Overig in Tekst

Brandaen    Brandaen   

[Brandaan]    [Brandaan]   

God    God   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20