Hoofdtekst
Doe si te scepe quamen
Ende orlof ghenamen
865 Van dier doncker zee ende lande,
Een der moonken doe verkande,
Dat die gront goudin was.
Ay, hoe blide waren si das!
Doe ghinghen si hute met spele
870 Ende droughens in den scepe vele,
Elkerlijc in sine hande,
Daer si zint mede in haren lande
Eerden menich gods huus,
Mettien so hoorden si een gheruusch
875 Metten windes vlaken
Ende een weder also craken
Ende een vier also blecken,
Dat die goede Gods recken
Ontsaghen des hemels vallen.
880 Doe quamen die duvele met allen
Ende heesscheden met rechte
Den breydel dief, die si zochten;
Om dat hi den breydel stal,
Voerden sine in den afgront al.
885 Daer moeste hi in der pinen dooten
Met anderen sine ghenooten.
Doene begreep die viant,
Metten breydele hine bant
Diefs recht maecte hi hem cont:
890 Hi voerdene wers dan een hont;
Hi sleepten met vleesch ende met beene
Over struuc ende over steene
Te zijns heeren aensichte.
Daer was een groot gheruchte,
895 Daer hine voerde te zijnre scolen.
Die sint meer hebben verstolen,
Willent al voor niet slaen,
Maer en sal also niet gaen,
En si dat zijs af staen
900 Ende daer af penitencie ontfaen;
Anders sullen si moeten quellen
Metten duvelen in der hellen.
Ende orlof ghenamen
865 Van dier doncker zee ende lande,
Een der moonken doe verkande,
Dat die gront goudin was.
Ay, hoe blide waren si das!
Doe ghinghen si hute met spele
870 Ende droughens in den scepe vele,
Elkerlijc in sine hande,
Daer si zint mede in haren lande
Eerden menich gods huus,
Mettien so hoorden si een gheruusch
875 Metten windes vlaken
Ende een weder also craken
Ende een vier also blecken,
Dat die goede Gods recken
Ontsaghen des hemels vallen.
880 Doe quamen die duvele met allen
Ende heesscheden met rechte
Den breydel dief, die si zochten;
Om dat hi den breydel stal,
Voerden sine in den afgront al.
885 Daer moeste hi in der pinen dooten
Met anderen sine ghenooten.
Doene begreep die viant,
Metten breydele hine bant
Diefs recht maecte hi hem cont:
890 Hi voerdene wers dan een hont;
Hi sleepten met vleesch ende met beene
Over struuc ende over steene
Te zijns heeren aensichte.
Daer was een groot gheruchte,
895 Daer hine voerde te zijnre scolen.
Die sint meer hebben verstolen,
Willent al voor niet slaen,
Maer en sal also niet gaen,
En si dat zijs af staen
900 Ende daer af penitencie ontfaen;
Anders sullen si moeten quellen
Metten duvelen in der hellen.
Beschrijving
De monniken merken dat de zeebodem van goud is. Ze halen schatten van de zeebodem, waarmee ze veel goede dingen deden. Dan begint het te stormen en te donderen. De duivels komen de monnik halen die de teugel heeft gestolen en ze martelen hem.
Bron
E. Bonebakker (ed.), Van Sente Brandane, naar het Comburgsche en het Hulthemsche handschrift. Amsterdam, 1894.
Commentaar
1380-1425
De indeling van de tekst is overgenomen uit: De reis van Sint Brandaan. Een reisverhaal uit de twaalfde eeuw, W. Wilmink (vert.) en W.P. Gerritsen (inl.). Amsterdam, 1996.
Naam Overig in Tekst
Brandaen   
[Brandaan]   
God   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
