Hoofdtekst
1. DE SPOKENDE NACHTWACHT
Wanneer indertijd de bruggen die over de singels leidden waren opgehaald, de trompetters de Sint-Jacobstoren hadden bestegen om uit te kijken naar de rosse gloed van nachtelijke branden en de nachtwachten al ratelend hun stemmen lieten horen bij het verstrijken van elk uur, kon men vreemde verschijningen ontmoeten in duister 's-Gravenhage.
Tussen de nachtwachten van vlees en bloed, die elke maand hun salaris beurden en wier stemmen door de gezamenlijke werking van weer, wind en jenever schor waren geworden, doolde een schim door de verlaten straten, die met de holle, doffe stem der doden de woorden van zijn levende college's nazei:
Bewaar je vuur en kaarsen wel,
De klok heeft...
Verder kwam de "nachtwacht" niet, want deze woorden waren de laatste geweest die hij tijdens zijn ronde had gesproken. Toen was de deur van een van de taveernen open gevlogen en diverse jongelui waren met getrokken degens naar buiten gedrongen, om hun twist op straat te beslechten. Een van hen, die niet zo helder meer zag waar hij stak, reeg de nachtwacht aan zijn rapier, nog voor deze had kunnen vertellen hoe laat het was. Het was op slag van twaalven. De plichtsgetrouwe nachtwacht werd op stadskosten begraven, maar hij liet het daar niet bij. Hij keerde sindsdien steeds terug. Tegen middernacht hoorde men zijn trage stap weerklinken en zag men, bij het licht der maan, zijn donkere gestalte, die geen schaduw meer kon werpen, langs de huizen schuifelen, om op de Stille Veerkade bij de Spookbrug in het niet te verdwijnen.
Eens, op een zomernacht, toen zijn roep weer de stilte verbrak, struikelde over een van die halsbrekende ophaalbruggen, die over de gracht lagen, een man hem tegemoet. Deze struikelaar had zo van het geestrijk vocht genoten, dat de grenzen tussen schijn en werkelijkheid, tussen geest en lichaam, voor hem niet meer bestonden. "Bewaar je vuur en kaarsen wel, De klok heeft..." sprak het spook en zweeg. "Twaalf, mijn goede nachtwacht, twaalf, middernacht", antwoordde de ander. "Onthoudt het nu maar voor je verder leven." "Ja, twaalf. De klok heeft twaalf", bevestigde de geest met een stem die opflakkerde als het licht van een kaars in de wind. "'t Is middernacht. Goddank, ik ben verlost."
En bij die woorden verdween de rondwarende nachtwacht voorgoed en hij werd nimmer meer bij nacht en ontij gezien.
(Den Haag)
Wanneer indertijd de bruggen die over de singels leidden waren opgehaald, de trompetters de Sint-Jacobstoren hadden bestegen om uit te kijken naar de rosse gloed van nachtelijke branden en de nachtwachten al ratelend hun stemmen lieten horen bij het verstrijken van elk uur, kon men vreemde verschijningen ontmoeten in duister 's-Gravenhage.
Tussen de nachtwachten van vlees en bloed, die elke maand hun salaris beurden en wier stemmen door de gezamenlijke werking van weer, wind en jenever schor waren geworden, doolde een schim door de verlaten straten, die met de holle, doffe stem der doden de woorden van zijn levende college's nazei:
Bewaar je vuur en kaarsen wel,
De klok heeft...
Verder kwam de "nachtwacht" niet, want deze woorden waren de laatste geweest die hij tijdens zijn ronde had gesproken. Toen was de deur van een van de taveernen open gevlogen en diverse jongelui waren met getrokken degens naar buiten gedrongen, om hun twist op straat te beslechten. Een van hen, die niet zo helder meer zag waar hij stak, reeg de nachtwacht aan zijn rapier, nog voor deze had kunnen vertellen hoe laat het was. Het was op slag van twaalven. De plichtsgetrouwe nachtwacht werd op stadskosten begraven, maar hij liet het daar niet bij. Hij keerde sindsdien steeds terug. Tegen middernacht hoorde men zijn trage stap weerklinken en zag men, bij het licht der maan, zijn donkere gestalte, die geen schaduw meer kon werpen, langs de huizen schuifelen, om op de Stille Veerkade bij de Spookbrug in het niet te verdwijnen.
Eens, op een zomernacht, toen zijn roep weer de stilte verbrak, struikelde over een van die halsbrekende ophaalbruggen, die over de gracht lagen, een man hem tegemoet. Deze struikelaar had zo van het geestrijk vocht genoten, dat de grenzen tussen schijn en werkelijkheid, tussen geest en lichaam, voor hem niet meer bestonden. "Bewaar je vuur en kaarsen wel, De klok heeft..." sprak het spook en zweeg. "Twaalf, mijn goede nachtwacht, twaalf, middernacht", antwoordde de ander. "Onthoudt het nu maar voor je verder leven." "Ja, twaalf. De klok heeft twaalf", bevestigde de geest met een stem die opflakkerde als het licht van een kaars in de wind. "'t Is middernacht. Goddank, ik ben verlost."
En bij die woorden verdween de rondwarende nachtwacht voorgoed en hij werd nimmer meer bij nacht en ontij gezien.
(Den Haag)
Onderwerp
SINSAG 0450 - Andere Tote spuken.   
Beschrijving
Na te zijn vermoord, blijft een nachtwacht rondspoken. Hij roept de tijd, maar kan zijn zin niet afmaken. Op een nacht maakt een dronkenman de zin voor hem af, en daarna is het spoken opgehouden.
Bron
J.R.W. Sinninghe: Spokerijen in Rijnland, Delfland en Schieland. Sagen, legenden en volksverhalen, veelal uit de volksmond opgetekend. Zaltbommel 1977. p. 7-8
Commentaar
Andere Tote spuken.
Naam Overig in Tekst
Sint-Jacobstoren   
Stille Veerkade   
Naam Locatie in Tekst
's-Gravenhage   
Den Haag   
Spookbrug   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
