Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

BOEKV031 - Van den smid die niet sterven wilde. A.

Een sprookje (tijdschriftartikel), 1893

Hoofdtekst

Van den smid die niet sterven wilde. A.

In een dorp woonde heel lang geleden een smid die er vroolijk op los leefde en dus bij zijn dorpsgenooten niet al te best stond aangeschreven. Maar al hield hij wat te veel van dobbelen en drinken, het was toch in den grond van zijn hart een goedaardig man.
Nu gebeurde het eens dat er een oude pelgrim door het dorp kwam. Hij was moe van de verre tocht en zocht een schuilplaats voor den nacht, maar waar hij aanklopte, overal was het vergeefs. Er woonden veel rijke boeren in het dorp, maar allen waren zoo onbarmhartig om den armen man weg te jagen. Zoo kwam hij ten slotte aan het laatste huis van het dorp en daar woonde onze smid. Die stond bij het aambeeld en hamerde er lustig op los, maar toen hij den ouden man zag en hoorde wat hij verlangde, zei hij: "Wel, oude grijskop, kom maar binnen. Ben-je moe? Daar staat een stoel, en heb-je honger, dan zal ik je wat te eten geven. Maar je moet tevreden wezen met wat ik heb." Toen bracht hij eten en drinken en de oude man liet het zich goed smaken. Ze praatten over het weer en over den goeden ouden tijd, en toen ze niet meer te praten en te eten hadden gingen ze naar bed.
Den volgenden morgen was de smid al vroeg bij de hand en het duurde niet lang of ook de pelgrim verscheen, klaar om zijn reis te vervolgen. Maar voor hij afscheid nam zei hij: "Omdat je me zoo gastvrij hebt ontvangen, moog-je zeggen wat je wilt dat ik je geven zal." "Wel nee," zei de smid, "daar is het niet om begonnen: ik zie wel dat je een arme slokkerd bent die zijn geld zelf best gebruiken kan. Wat ik had heb ik met liefde met je gedeeld en kom-je op de terugreis hier weer langs, kom dan gerust weer binnen. Geld verlang ik er niet voor." "Dat is goed," zei de ander, "maar toch wil ik je beloonen voor je barmhartigheid. Je moogt drie wenschen doen en die zal ik vervullen. Maar denk ook om je zieleheil, want als de dood komt, is berouw te laat." Toen merkte de smid wel dat hij niet met een gewonen pelgrim te doen had en hij zei dus: "Wel, oude heer, als ik het dan maar om het zeggen heb, dan wil ik je wel vertellen wat ik zou wenschen. In mijn tuin staat een mooie kersenboom: maak dan dat ieder die er op klimt om van de kersen te plukken er niet weer af kan voor ik dat goedvind. Mijn tweede wensch is dat wie in mijn leuningstoel gaat zitten niet kan opstaan als ik het niet wil. En in de derde plaats verlang ik een beurs waar niet uit vandaan kan wat er eenmaal ingekomen is." Toen zei de pelgrim: "Die wenschen zullen vervuld worden. Maar waarom heb-je niet naar mijn raad geluisterd en gewenscht dat je in den hemel zoudt komen? Nu is het te laat." "O," zei de smid, "'t is volstrekt niet te laat, want in den hemel zal ik toch wel komen. Maak je daarvoor maar niet bezorgd." "Nou," zei de oude man, "ik mag het lijden;" en zoo namen ze afscheid van elkaar.
De smid leefde er nu nog lustiger op los dan vroeger. Als zijn kersenboom vol vruchten hing en er kwamen dieven om er van te plukken, dan waren ze gevangen en de smid ranselde ze danig af, zoodat ze het kersenstelen wel verleerden. En als er een vriend bij hem zat te drinken en te dobbelen, dan liet hij hem niet eerder uit den stoel opstaan voor hijzelf genoeg van het spelen had, en dat was niet gauw. Kortom hij dacht om God noch zijn gebod en hij maakte het zoo bont dat toen het zijn tijd werd om te sterven de duivel hem kwam halen.
Toen de smid dien sinjeur de smederij zag binnenkomen schrok hij een beetje, want hij had hem zoo gauw niet verwacht. Maar hij was niet bleu en hij vroeg dus aan den duivel wat er van zijn dienst was. Het bleek dat hij kwam om onzen smid naar de hel te brengen. "Zoo," zei deze, "ik dacht dat je een nieuwen ketel voor de hel bij me kwam bestellen, maar als je wilt dat ik met je meega om de oude ketels nog wat op te lappen dan is het mij ook goed." De duivel hield echter niet van grapjes en zei dat de smid zich dadelijk klaar moest maken om mee te gaan. "Goed," zei de smid, "ga dan maar even zitten, dan zal ik mijn zondagsche pak aantrekken." De duivel ging in den leuningstoel zitten maar toen de smid terugkwam en zei dat hij reisvaardig was, bleek het dat de duivel niet kon opstaan. Wat voor moeite hij deed, het gaf hem niets: de stoel hield hem vast. De duivel begon vreeslijk te vloeken, maar de smid lachte hem uit en het eind van de historie was dat de duivel beloofde hem nog honderd jaar te laten leven. Toen liet hij hem vrij en zoo gauw hij kon nam de duivel de wijk naar de hel.
Zoo had de smid dus weer voor langen tijd rust en het oude leventje begon opnieuw. Hij dronk en dobbelde en deed wat hem in den zin kwam, en tusschen de bedrijven door smeedde hij er lustig op los, en hij bleef zoo vroolijk en gezond als ooit.
Maar aan alle dingen komt een eind, zelfs aan een tijd van honderd jaar. En toen die eindelijk om waren en Lucifer er zeker van was dat hij den smid mocht halen, besloot hij er deze keer twee duivels op af te sturen opdat de prooi hem niet voor de tweede maal zou ontgaan. En zoo stonden er dus op een goeden dag twee duivels voor de deur van de smederij. Zoodra de smid hen zag zei hij vriendelijk: "Komt binnen, heeren! Ik had je van morgen al verwacht." Dat deden ze, maar ze waren niet te bewegen om te gaan zitten, want dat had Lucifer hun streng verboden. "Zooals je wilt," zei de smid, "'t is ook de moeite niet waard, want zoo meteen ben ik klaar. Maar weet je wat? Aan mijn kersenboom hangen zulke prachtige kersen, daar moet je er onderwijl wat van plukken. We hebben een hele reis te doen en in de hel is het warm: daar zal een frisch hapje wel smaken." Dat dachten de duivels ook en ze keken dus eens naar buiten. De kersenboom hing vol roode kersen en ze konden de verzoeking niet weerstaan om er in te klimmen. Dat deden ze dus, maar toen ze er eenmaal in waren, konden ze er niet weer uit en de smid had ze in zijn macht. En hij liet ze niet los voor ze hem weer hadden beloofd in geen honderd jaar terug te zullen komen.
Maar ook die honderd jaren gingen voorbij en toen besloot Lucifer er zelf op af te gaan. Hij kwam dus bij den smid en zei: "Zie zoo, vriend, nu zul-je me niet meer ontsnappen. Ik ben Lucifer en mij zul-je niet beetnemen." "Dat zal ik ook niet probeeren," zei de smid, "als een mensch meer dan tweehonderd jaar geleefd heeft, dan krijgt hij er genoeg van en ik ben blij dat ik met je mee kan gaan. Maar ben jij nu Lucifer? Je ziet er net uit als een gewone duivel." "Ja zeker," zei hij, "zoo waar als ik hier voor je sta ben ik Lucifer." "Nou," zei de smid, "dat kan iedereen wel zeggen, maar daarom hoeft het nog niet zoo te wezen." Toen werd Lucifer kwaad en zei: "Als je me dan niet gelooven wilt, dan zal ik het je bewijzen. Wat wil-je dat ik doen zal? Ik kan alles." "Nou," zei de smid en hij haalde zijn beurs uit zijn zak, "als je Lucifer bent, dan zul-je je ook wel zoo klein kunnen maken dat je in mijn beurs kunt kruipen." "Natuurlijk," zei Lucifer en hij maakte zich heel klein en kroop er in. Maar toen legde de smid de beurs op het aambeeld en hij nam zijn voorhamer en begon er op te slaan, dat het een aard had, en of Lucifer al kermde en schreeuwde hij kon er niet uit. Hij werd zoo plat gedeukt dat hij zijn leven alleen te danken had aan het feit dat hij een duivel was en dus niet dood kon gaan. Maar de smid werd eindelijk moe en hij dacht dat Lucifer er nu wel genoeg van langs had gehad om nooit meer lust te hebben terug te komen. Dat was ook zoo en toen hij de beurs openmaakte vloog Lucifer weg zoo hard als hij kon.
Zoo leefde de smid nog een poos, maar eindelijk werd hij ziek en stierf. Er kwam geen duivel om hem te halen, maar de dood bracht hem toch naar de poort van de hel omdat hij meende dat de smid daar wel thuis zou hooren. Hij klopte dus aan. Een duivel deed open en ging, zoodra hij den smid herkende, Lucifer waarschuwen. Lucifer schrikte geweldig en vroeg: "Je hebt hem toch niet binnen gelaten? Want dan zijn we hier in de hel ons leven niet meer zeker." De duivel zei dat hij aan de poort stond te wachten. "Zie dan dat je hem de hel weer uit krijgt en smijt de poort achter hem in het slot, want dien kerel kunnen we hier niet gebruiken." Zoo kwam het dat de smid in de hel geen plaats kon krijgen.
Hij besloot dus naar den hemel te wandelen. Toen hij aan de poort kwam, klopte hij aan en Petrus deed open. Maar toen hij zag wie het was, ging de poort weer dicht en hij zei dat de smid zeker verkeerd was, want dat hij veel te liederlijk geleefd had om in den hemel te komen. De smid was echter zoo gauw niet uit het veld geslagen en hij vertelde dus dat hij al in de hel was geweest, maar dat ze hem daar ook niet hebben wilden. Dus hij vroeg of hij als-jeblieft toch maar binnen mocht komen. Maar hoe lang hij ook praatte, Petrus was daar niet toe over te halen. Toen zei hij: "Als ik dan niet in den hemel mag komen, laat me dan toch even kijken hoe het er in den hemel uit ziet," en eindelijk kreeg hij gedaan dat Petrus de deur op een kiertje zette en den smid er door liet kijken. Maar toen maakte de smid zijn schootsvel los en gooide dat naar binnen. Daar was Petrus niet op verdacht en in zijn zorg om dat smerige ding toch zoo gauw mogelijk weer uit den hemel te krijgen liet hij de poort los. Toen glipte de smid vlug naar binnen, liep naar zijn schootsvel en ging er op zitten. "Kom," zei Petrus, "nu geen grapjes. Je weet wel dat je hier niet wezen moogt: Ga dus liever goedschiks weer weg, want anders moeten we je met geweld uit den hemel zetten." "Dat zou ik eerst nog moeten zien," zei de smid; "het schootsvel is van mij en ik zit dus op mijn eigen terrein. Je hebt dus het recht niet me daarvandaan te jagen." Petrus wist niet wat hij daarop zeggen zou en hij besloot dus Onzen Lieven Heer om raad te vragen. Toen deze het geval hoorde, zei Hij: "De smid is een slimmerd, we moeten hem dus maar op zijn schootsvel laten zitten, want als we hem den hemel uitzetten komt hij er toch morgen of overmorgen met een gauwigheid weer in." En zoo gebeurde het dat de smid in den hemel mocht blijven; en als je later zelf in den hemel komt moet je maar eens kijken of je hem daar niet ziet zitten.

Onderwerp

AT 0330A - The smith and the devil (death)    AT 0330A - The smith and the devil (death)   

ATU 0330 - The Smith and the Devil    ATU 0330 - The Smith and the Devil   

Beschrijving

Een smid, die er vrolijk op los leeft, biedt een oude pelgrim onderdak en krijgt bij het afscheid 3 wensen' hij wenst: wie in zijn kersenboom, leuningstoel of beurs komt, kan er niet meer uit. Hij wenst echter niet de hemel. Na een tijd komt de duivel hem halen, de smid laat hem in de stoel plaatsnemen en er pas uitkomen als hij nog 100 jaar krijgt. Dan komem 2 duivels, die hij kersen laat plukken, en weer 100 jaar later komt Lucifer zelf, die zich moet bewijzen door in de beurs te kruipen. Uiteindelijk sterft de smid toch en wordt door de dood naar de hel gebracht, waar ze hem herkennen en niet binnen laten. Dan gaat hij naar de hemel, wordt ook niet toegelaten, vraagt of hij een blik mag werpen en gooit zijn schootsvel naar binnen. Petrus wil het pakken, waarop de smid de hemel inglipt en op zijn schootsvel gaat zitten met de woorden: "Ik zit op eigen terrein." Van God mag hij blijven.

Bron

G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 15 (1903), pp. 34-38 N°25A

Commentaar

1893
De vertelling bevat elementen van de inzending van K. Johan Pen, maar diens verhaal is aanzienlijk korter, en het slot met het schootsvel komt er niet in voor.
The smith and the devil (death)

Naam Overig in Tekst

God    God   

Lucifer    Lucifer   

Petrus    Petrus   

Onze Lieve Heer    Onze Lieve Heer   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20