Hoofdtekst
Van het spokende kasteel.
Nou heb-je me laatst om een spookgeschiedenis gevraagd. Ik zal er je dan een vertellen; maar eigenlijk is het geen spookgeschiedenis: 't is meer om te bewijzen dat er geen spoken zijn.
Ik weet wel dat als het vroeger ergens spookte de menschen daar doodsbenauwd voor waren; en als het eenigszins kon, dan lieten ze zoo'n huis of kasteel in de steek en gingen ergens anders heen. Zoo was er dan indertijd een kasteel waar het spookte, en niemand dorst er naar toe, want het was bekend dat van hen die er heen waren gegaan nooit iemand was teruggekomen.
Maar op een keer reisde er een prins of een hertogszoon (dat weet ik zoo precies niet meer, maar het was een heel hooge mijnheer) door het land en toen ze hem over het kasteel spraken, zei hij: "Ik geloof niets van die spoken: ik moet toch eens kijken wat dat om het lijf heeft." Hij ging er dus 's avonds met zijn knecht op af en nam pistolen en een paar kaarsen mee; maar toen hij bij het kasteel was, zei hij tegen den knecht: "Ga jij maar naar huis; ik zal het alleen wel klaren."
Hij ging dus naar binnen, maar zag niets bijzonders, dan dat er geen menschen in huis waren. Hij ging op een canape zitten en stak toen het heelemaal donker werd een kaars op. Zoo werd het dan 10 uur, 11 uur, en eindelijk 12 uur, de tijd waarop de spoken gewoonlijk believen te verschijnen; en, jawel, de klok was nog niet koud of daar kwam zoo'n sinjeur aanstappen: heelemaal in 't wit, met kettingen aan zijn handen en voeten, en zwavel brandde op zijn hoofd. "Wie ben-je?" vroeg hij. De ander zei niets, maar wenkte met zijn vinger dat hij hem volgen moest. Hij had wel in de gaten dat het geen spook was, maar dacht: "Ik moet toch eens kijken waar ik naar toe moet." Dus hij ging waar de ander hem wenkte. Op eens zinkt het spook in de diepte, en flap! daar gaat hij zelf ook. Hij kwam te land in een kelder en meteen sprongen vier of vijf kerels op hem. "Hola! niet al te haastig!" riep hij; "jelui hebt niet met den eersten de beste te doen. Ik ben die en die en natuurlijk komen ze me zoeken en dan zou het je beste beurt niet zijn als het bleek dat je me vermoord hadt. Ik zou je dus maar raden me niets te doen!" Ze keken mekaar aan, maar hun besluit was eindelijk toch om hem te laten loopen, mits hij niets vertelde. Dat beloofde hij, en toen hij terugkwam en ze hem vroegen hoe hij het had gehad, zei hij: "Het spookt er niet, maar ik kan je toch niet aanraden er heen te gaan."
Een jaar of vijf, zes later trouwde hij. Dat was natuurlijk groot feest. Toen dat in vollen gang was, kwamen er twee mannen om hem te spreken. Ze hadden een mooi paard bij zich en kwamen hem dat ten geschenke geven. Toen hij vroeg van wie ze kwamen zeiden ze: "Van de roovers in het spokende kasteel. Wij hebben nu geld genoeg en scheiden uit met rooven, maar jij krijgt nu dit paard omdat je zoo goed gezwegen hebt."
Nou heb-je me laatst om een spookgeschiedenis gevraagd. Ik zal er je dan een vertellen; maar eigenlijk is het geen spookgeschiedenis: 't is meer om te bewijzen dat er geen spoken zijn.
Ik weet wel dat als het vroeger ergens spookte de menschen daar doodsbenauwd voor waren; en als het eenigszins kon, dan lieten ze zoo'n huis of kasteel in de steek en gingen ergens anders heen. Zoo was er dan indertijd een kasteel waar het spookte, en niemand dorst er naar toe, want het was bekend dat van hen die er heen waren gegaan nooit iemand was teruggekomen.
Maar op een keer reisde er een prins of een hertogszoon (dat weet ik zoo precies niet meer, maar het was een heel hooge mijnheer) door het land en toen ze hem over het kasteel spraken, zei hij: "Ik geloof niets van die spoken: ik moet toch eens kijken wat dat om het lijf heeft." Hij ging er dus 's avonds met zijn knecht op af en nam pistolen en een paar kaarsen mee; maar toen hij bij het kasteel was, zei hij tegen den knecht: "Ga jij maar naar huis; ik zal het alleen wel klaren."
Hij ging dus naar binnen, maar zag niets bijzonders, dan dat er geen menschen in huis waren. Hij ging op een canape zitten en stak toen het heelemaal donker werd een kaars op. Zoo werd het dan 10 uur, 11 uur, en eindelijk 12 uur, de tijd waarop de spoken gewoonlijk believen te verschijnen; en, jawel, de klok was nog niet koud of daar kwam zoo'n sinjeur aanstappen: heelemaal in 't wit, met kettingen aan zijn handen en voeten, en zwavel brandde op zijn hoofd. "Wie ben-je?" vroeg hij. De ander zei niets, maar wenkte met zijn vinger dat hij hem volgen moest. Hij had wel in de gaten dat het geen spook was, maar dacht: "Ik moet toch eens kijken waar ik naar toe moet." Dus hij ging waar de ander hem wenkte. Op eens zinkt het spook in de diepte, en flap! daar gaat hij zelf ook. Hij kwam te land in een kelder en meteen sprongen vier of vijf kerels op hem. "Hola! niet al te haastig!" riep hij; "jelui hebt niet met den eersten de beste te doen. Ik ben die en die en natuurlijk komen ze me zoeken en dan zou het je beste beurt niet zijn als het bleek dat je me vermoord hadt. Ik zou je dus maar raden me niets te doen!" Ze keken mekaar aan, maar hun besluit was eindelijk toch om hem te laten loopen, mits hij niets vertelde. Dat beloofde hij, en toen hij terugkwam en ze hem vroegen hoe hij het had gehad, zei hij: "Het spookt er niet, maar ik kan je toch niet aanraden er heen te gaan."
Een jaar of vijf, zes later trouwde hij. Dat was natuurlijk groot feest. Toen dat in vollen gang was, kwamen er twee mannen om hem te spreken. Ze hadden een mooi paard bij zich en kwamen hem dat ten geschenke geven. Toen hij vroeg van wie ze kwamen zeiden ze: "Van de roovers in het spokende kasteel. Wij hebben nu geld genoeg en scheiden uit met rooven, maar jij krijgt nu dit paard omdat je zoo goed gezwegen hebt."
Onderwerp
SINAT 0999 - Andere Räubergeschichten   
Beschrijving
Een prins gaat nieuwsgierig een verlaten kasteel in waarvan beweerd wordt dat het er spookt. Om middernacht verschijnt er een witte gedaante, maar de prins heeft wel door dat het een mens is dat zich als spook verkleed heeft. Het spook wenkt hem en de prins volgt hem. Plots verdwijnen ze in de diepte en vallen de kelder in. De prins wordt door een aantal rovers gegrepen. De prins maakt bekend wie hij is: als ze hem niet bevrijden, zal men hem komen zoeken, en dan zullen de rovers zelf gegrepen worden. De rovers laten de prins gaan op voorwaarde dat hij zwijgt. Thuis verklaart de prins alleen maar dat het in het kasteel niet spookt, maar dat men er toch weg moet blijven. Als de prins een paar jaar later trouwt, krijgt hij van de rovers een mooi paard als geschenk. De rovers zijn rijk genoeg geworden om te kunnen stoppen met roven, en ze bedanken nu de prins dat hij hen nooit verraden heeft.
Bron
G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 19 (1907-1908), pp. 29-30 N°104
Commentaar
[2 oktober] 1901
vgl. CBAK0217
Andere Räubergeschichten
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
