Hoofdtekst
Van den man die noten telde op het kerkhof.
Daar waren eens twee broers; de een was wijs en de andere gek. Ze hadden tezamen een zak vol noten gestolen. De wijze zei tegen den gekken: "Broer, ga jij nu de noten deelen, dan zal ik in dien tusschentijd dat schaap stelen dat we in het weiland zagen loopen." "Goed," zei de gekke, "dan ga ik een veilig plekje zoeken waar wij den buit kunnen deelen." Hij ging toen het kerkhof op, klom over den muur van het beenderenhok en begon daar de noten te verdeelen. Telkens haalde hij twee noten uit den zak en legde die op twee hoopjes en bij elke reis zei hij: "Dat's voor mij, dat's voor jou."
De koster was toevallig nog laat in de kerk en hoorde buiten op het kerkhof wat leven; hij luisterde en merkte dat het uit het beenderenhok kwam. En toen hij scherp luisterde hoorde hij duidelijk zeggen: "Dat's voor mij; dat's voor jou." Godsverschrikt liep hij naar den pastoor en riep: "O mijnheer pastoor, nooit, nooit durf ik meer het kerkhof over. Ik geloof dat we op het einde der dagen zijn, want de engelen en duivelen zijn aan het beenderen tellen. Ik heb ze duidelijk hooren zeggen: Dat's voor mij; dat's voor jou. Dat's voor mij; dat's voor jou."
"Och, wat!" zei de pastoor, "spookt het in je hoofd? Wat is dat voor mallepraat?"
"Mijnheer pastoor, ik heb het zelf gehoord; en als u niet mee gaat kijken wat er is, durf ik nooit meer over het kerkhof."
Toen ging de pastoor mee, en jawel, aan den kant van het kerkhof hoorde hij ook telkens wat neergooien met een: "Dat's voor mij; dat's voor jou."
"Maar," zei de pastoor, "nu heb ik het wel gehoord, maar nou zou ik het ook wel eens graag willen zien." "Ik niet, mijnheer pastoor! bij mijn ziel en zaligheid, ik niet!" riep de koster. "Nou, jij hoeft het ook niet te zien," zei de pastoor, "maar de muur van het kerkhof is mij te hoog: Als jij nu bok-bok gaat staan, dan klim ik op je rug en dan kan ik in het beenderenhok kijken."
Veel zin had de koster er niet in, maar hij diende wel te gehoorzamen en zoo gingen ze dus samen om het kerkhof heen tot bij het beenderenhok, en daar klom de pastoor, die al wat oud en stram werd, met moeite op den rug van den koster en kon toen net over den rand van den muur heenkijken. Heelemaal in stilte was dat natuurlijk niet gegaan en de notenteller had het leven gehoord en dacht nu dat het zijn broer was met het schaap. Hij zei dus: "Zoo, ben-je daar met hem? Wacht, dan zal ik hem meteen maar den nek afsnijden."
Toen schrok de koster zoo, dat hij den pastoor liet vallen en aan den haal ging, want hij dacht stellig dat het om hem te doen was. En ook de pastoor was zoo geschrokken dat hij den koster zoo gauw mogelijk achterna ging.
Daar waren eens twee broers; de een was wijs en de andere gek. Ze hadden tezamen een zak vol noten gestolen. De wijze zei tegen den gekken: "Broer, ga jij nu de noten deelen, dan zal ik in dien tusschentijd dat schaap stelen dat we in het weiland zagen loopen." "Goed," zei de gekke, "dan ga ik een veilig plekje zoeken waar wij den buit kunnen deelen." Hij ging toen het kerkhof op, klom over den muur van het beenderenhok en begon daar de noten te verdeelen. Telkens haalde hij twee noten uit den zak en legde die op twee hoopjes en bij elke reis zei hij: "Dat's voor mij, dat's voor jou."
De koster was toevallig nog laat in de kerk en hoorde buiten op het kerkhof wat leven; hij luisterde en merkte dat het uit het beenderenhok kwam. En toen hij scherp luisterde hoorde hij duidelijk zeggen: "Dat's voor mij; dat's voor jou." Godsverschrikt liep hij naar den pastoor en riep: "O mijnheer pastoor, nooit, nooit durf ik meer het kerkhof over. Ik geloof dat we op het einde der dagen zijn, want de engelen en duivelen zijn aan het beenderen tellen. Ik heb ze duidelijk hooren zeggen: Dat's voor mij; dat's voor jou. Dat's voor mij; dat's voor jou."
"Och, wat!" zei de pastoor, "spookt het in je hoofd? Wat is dat voor mallepraat?"
"Mijnheer pastoor, ik heb het zelf gehoord; en als u niet mee gaat kijken wat er is, durf ik nooit meer over het kerkhof."
Toen ging de pastoor mee, en jawel, aan den kant van het kerkhof hoorde hij ook telkens wat neergooien met een: "Dat's voor mij; dat's voor jou."
"Maar," zei de pastoor, "nu heb ik het wel gehoord, maar nou zou ik het ook wel eens graag willen zien." "Ik niet, mijnheer pastoor! bij mijn ziel en zaligheid, ik niet!" riep de koster. "Nou, jij hoeft het ook niet te zien," zei de pastoor, "maar de muur van het kerkhof is mij te hoog: Als jij nu bok-bok gaat staan, dan klim ik op je rug en dan kan ik in het beenderenhok kijken."
Veel zin had de koster er niet in, maar hij diende wel te gehoorzamen en zoo gingen ze dus samen om het kerkhof heen tot bij het beenderenhok, en daar klom de pastoor, die al wat oud en stram werd, met moeite op den rug van den koster en kon toen net over den rand van den muur heenkijken. Heelemaal in stilte was dat natuurlijk niet gegaan en de notenteller had het leven gehoord en dacht nu dat het zijn broer was met het schaap. Hij zei dus: "Zoo, ben-je daar met hem? Wacht, dan zal ik hem meteen maar den nek afsnijden."
Toen schrok de koster zoo, dat hij den pastoor liet vallen en aan den haal ging, want hij dacht stellig dat het om hem te doen was. En ook de pastoor was zoo geschrokken dat hij den koster zoo gauw mogelijk achterna ging.
Onderwerp
AT 1791 - The Sexton Carries the Parson   
ATU 1791 - The Sexton Carries the Clergyman.   
Beschrijving
Twee broers, waarvan de één slim en de ander dom is, hebben een zak met noten gestolen. De domme broer gaat deze alvast verdelen, terwijl de slimme broer nog een schaap gaat stelen. De domme broer zoekt een veilige plek om de noten te verdelen en komt terecht op het kerkhof. In het doodsbeenderenhok gaat hij de noten op twee stapeltjes leggen, waarbij hij steeds zegt: `Dat 's voor mij en dat 's voor jou.' De koster komt langs en hoort dit. Hij is doodsbenauwd, want hij denkt dat het de duivels en de engelen zijn die daar voor het Laatste Oordeel de botten aan het verdelen zijn. De koster rent naar de pastoor en vertelt het hele verhaal. de pastoor wil dit eerst eens zelf horen en zien. Omdat de pastoor oud en stram is, vraagt hij aan de koster of hij op zijn rug mag staan om over de muur heen te kijken. De domme broer hoort geluiden en denkt dat het zijn broer is, die terug komt met het schaap. De domme broer zegt dat hij wel even de keel door zal snijden. De koster denkt dat over hem wordt gesproken en rent in paniek weg. De pastoor valt en is hiermee van zijn reuma genezen.
Bron
G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 19 (1907-1908), pp. 63-64 N°108
Commentaar
1891
vgl. CBOEK005
Als verteller wordt genoemd: een dienstbode [dochter Deenik zou het verhaal dus van een dienstbode hebben gehoord].
Als verteller wordt genoemd: een dienstbode [dochter Deenik zou het verhaal dus van een dienstbode hebben gehoord].
The Sexton Carries the Parson
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
