Hoofdtekst
Die .XX. cluchte.
Een edelman hadde eenen sot dien hi lief hadde. Hy maecte hem een schoon colve ende seide tot hem: 'Sot, en geeft dese niemanden dan die sotter is dan ghy.' Die sot seyde: 'Ja.' Het gheviel op eenen tijt dat die edelman cranc werdt, dat die meester alle daghe tot hem quam ende besocht hem. Ende als hi dan van hem ghinc, so vraechden dat wijf ende die knecht hoe hem die joncker behaechden. So antwoorde hi: 'Hy sal vertrecken ende niet blyven.' De sot stont daer by ende hoorden dese woorden die de meester totter vrouwen ende totten knecht sprack. Ende als hi dan hoorde seggen dat hy vertrecken soude ende niet blyven, liep die sot in den stal ende sach oft men ooc die peerden sadelde ende oft men ooc den reysewagen bereyden, dat hy daer op varen soude. Ende als dye meester des morghens weder quam ende wederom van die joncker ginck, so vraechden si hem wederom, so antwoorde hy al na zijn ghewoonheyt dat hi henen varen soude. Die sot liep wederom ende sach toe, maer hi en vant niemanden. Ende ghinck selve totten heere ende vraechde hem: 'Heer, si segghen dat ghy varen wilt ende ghy en sult niet blijven. Hoe langhe suldi uut blyven? Een jaer?' 'O, langher, lieve gesel.' 'Tien jaer?' 'O, langer, ic en weet niet hoe lange.' De sot sprack: 'Ick en sie in den hof niet bereiden. Daerom wil ick u mijn colve gheven, want ghy syt veel sotter dan ick ben, want soude ic so langhe uut syn als ghi, ic soude immers yet voor my henen seynden daer af ick te leven hadde ende gheen gebreck en lede. Daerom neemt ghy selve uwe colve, want si behoort u van rechtswegen toe.' Die edelman nam dese woorden ter herten ende beterden hem. Ende maecte sijn testament ende sielen gericht en bereiden hem te varen dat hy een kint des eewigen levens worde. Daer heeft Godt oock door eenen sot gesproken.
Een edelman hadde eenen sot dien hi lief hadde. Hy maecte hem een schoon colve ende seide tot hem: 'Sot, en geeft dese niemanden dan die sotter is dan ghy.' Die sot seyde: 'Ja.' Het gheviel op eenen tijt dat die edelman cranc werdt, dat die meester alle daghe tot hem quam ende besocht hem. Ende als hi dan van hem ghinc, so vraechden dat wijf ende die knecht hoe hem die joncker behaechden. So antwoorde hi: 'Hy sal vertrecken ende niet blyven.' De sot stont daer by ende hoorden dese woorden die de meester totter vrouwen ende totten knecht sprack. Ende als hi dan hoorde seggen dat hy vertrecken soude ende niet blyven, liep die sot in den stal ende sach oft men ooc die peerden sadelde ende oft men ooc den reysewagen bereyden, dat hy daer op varen soude. Ende als dye meester des morghens weder quam ende wederom van die joncker ginck, so vraechden si hem wederom, so antwoorde hy al na zijn ghewoonheyt dat hi henen varen soude. Die sot liep wederom ende sach toe, maer hi en vant niemanden. Ende ghinck selve totten heere ende vraechde hem: 'Heer, si segghen dat ghy varen wilt ende ghy en sult niet blijven. Hoe langhe suldi uut blyven? Een jaer?' 'O, langher, lieve gesel.' 'Tien jaer?' 'O, langer, ic en weet niet hoe lange.' De sot sprack: 'Ick en sie in den hof niet bereiden. Daerom wil ick u mijn colve gheven, want ghy syt veel sotter dan ick ben, want soude ic so langhe uut syn als ghi, ic soude immers yet voor my henen seynden daer af ick te leven hadde ende gheen gebreck en lede. Daerom neemt ghy selve uwe colve, want si behoort u van rechtswegen toe.' Die edelman nam dese woorden ter herten ende beterden hem. Ende maecte sijn testament ende sielen gericht en bereiden hem te varen dat hy een kint des eewigen levens worde. Daer heeft Godt oock door eenen sot gesproken.
Beschrijving
Een edelman geeft zijn nar op wie hij zeer gesteld is een marot, die hij alleen maar mag geven aan iemand die nóg zotter is dan hijzelf. Als de man ziek wordt en de arts komt, wordt hem gevraagd hoe het met de heer des huizes gaat. Hij zal vertrekken en niet blijven, antwoordt de arts. Tot verbazing van de nar worden er echter in het geheel geen voorbereidingen voor een reis getroffen. Daarom spreekt hij de zieke zelf aan en vraagt hem hoe lang hij weg denkt te blijven, een jaar? Veel langer, antwoordt de man. Dan kan ik mijn marot wel aan u geven, zegt de zot, want iemand die zo lang op reis gaat zonder voorbereidingen te treffen is goed gek. De zieke man nam dit antwoord ter harte, maakte zijn testament en zijn ziel reisvaardig om een kind van de eeuwigheid te worden.
Bron
H. Pleij, J. van Grinsven, D. Schouten & F. van Thijn: Een Nyeuwe Clucht Boeck. Een zestiende-eeuwse anekdotenverzameling. Muiderberg 1983.
Commentaar
1554
Bron: Pauli, Schimpf und Ernst 45.
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22