Hoofdtekst
Die .LXXIIII. cluchte.
Daer was een man die syn huysvrouwe liefde betoonde met woorden ende wercken, ende hy hadde haer also lief, dat hy se syn vruecht noemde. Als hi uut den raet oft van elwaerts quam, so en seyde hi niet anders dan: 'Waer is mijn vruecht?' Het geviel op eenen tijt dat die man eenen tijt lanck van haer ghetrocken was ende die vrouwe creech eenen anderen lief. Des mans gesellen schreven hem hoe syn huysvrouwe huys hiel[t]. Want men merckt wel terstont een dingen ende het is een spreeckwoort, dat gheen hoererye verborghen en blijft over een vierendeel jaers. Als nu die man wederom thuys quam, liep die vrouwe met openen armen hem tegen, ende hiet hem willecoem ende woude hem omhelsen. Die man en woude niet omhelst syn ende stiet se met die handen van hem ende seyde: 'Vrouwe, wie syt ghi?' Si antwoorde: 'En kent ghi mi niet?' Die man seyde: 'Neen.' Die vrouwe sprack: 'Ick ben u vruecht.' Die man sprack: 'Als ghi myn vruecht waert, so kende ick u wel, maer nu ghi eens anderen vruecht syt geworden, so en kenne ick u niet meer.'
Daer was een man die syn huysvrouwe liefde betoonde met woorden ende wercken, ende hy hadde haer also lief, dat hy se syn vruecht noemde. Als hi uut den raet oft van elwaerts quam, so en seyde hi niet anders dan: 'Waer is mijn vruecht?' Het geviel op eenen tijt dat die man eenen tijt lanck van haer ghetrocken was ende die vrouwe creech eenen anderen lief. Des mans gesellen schreven hem hoe syn huysvrouwe huys hiel[t]. Want men merckt wel terstont een dingen ende het is een spreeckwoort, dat gheen hoererye verborghen en blijft over een vierendeel jaers. Als nu die man wederom thuys quam, liep die vrouwe met openen armen hem tegen, ende hiet hem willecoem ende woude hem omhelsen. Die man en woude niet omhelst syn ende stiet se met die handen van hem ende seyde: 'Vrouwe, wie syt ghi?' Si antwoorde: 'En kent ghi mi niet?' Die man seyde: 'Neen.' Die vrouwe sprack: 'Ick ben u vruecht.' Die man sprack: 'Als ghi myn vruecht waert, so kende ick u wel, maer nu ghi eens anderen vruecht syt geworden, so en kenne ick u niet meer.'
Beschrijving
Een man hield zo veel van zijn vrouw dat hij haar zijn 'vreugde' noemde. Als hij weggeweest was en weer thuis kwam dan zei hij altijd: Waar is mijn Vreugde?! Maar toen hij eens (te) lang wegbleef, nam zij een minnaar. Natuurlijk liep dat na een paar maanden in de gaten en het werd de man bericht. Toen hij weer thuiskwam, liep zijn vrouw met open armen op hem af, maar hij weerde haar van zich af en zei: Wie bent u? Kent u mij niet, sprak zij, ik ben uw Vreugde. Als u 'mijn' vreugde was, had ik u wel herkend, zei de man, maar nu u andermans vreugde bent, ken ik u niet meer.
Bron
H. Pleij, J. van Grinsven, D. Schouten & F. van Thijn: Een Nyeuwe Clucht Boeck. Een zestiende-eeuwse anekdotenverzameling. Muiderberg 1983.
Commentaar
1554
Bron: Pauli, Schimpf und Ernst 147.
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22