Hoofdtekst
Van den toovernerssen.
Die .LXXVL cluchte.
Veele cooplieden trocken metten anderen wech. Ende des coopmans vrouwe had eenen ouden wijve eenen gulden gegheven, dat si haer leeren soude dat haer man haer na ghinck. Ende sprack hoe dat si wel ghehoort hadde dat men dat wel doen coste. Dat oude wijf leerde haer die conste. Op eenen tijt badt si den man dat si hem haer van sinen wijnbrauwen geven soude. Ende als si hem langhe daerom ghebeden hadde, seyde die man: 'Ja, ick gae alle saterdach totten barbier, so wil ick eens dat haer houden ende u dat brengen.' Ende het was die maniere dat men ter selver tijt langhe gehaerde tesschen droech, daer sneedt hi dat haer af. Ende dee 't in een pampierken ende bracht' zynder vrouwen. Die cooplieden reden wech. Ende als si des nachts aen die herberghe quamen, hinck hi dye tesse aen dye muer ende setten hem aen die tafele. Dye vrouwe maecten haer dingen vast metten hare. Die tesse begost aen de muer te dansen. Die ander cooplieden seyden: 'Siet, wat gaet uwer tesschen over.' Over een wijle dede sy noch selsamer ende spranck van den weech. Die coopman seyde: 'Doet die duere op, si wilt messchien wederom thuiswaert.' Die tessche wentelde haer alom, totdat si thuys voor de duere quam rommelde si daer aen. Ende als de vrouwe dat hoorde, liep si terstont aen die duere ende meynde dat haer man daer ware. Ende als si toe sach, so was 't syn tesse. Doen sach si wel dat si bedroghen was. Ende als 't dach was, reet die coopman wederom thuys ende sloech de arme vrouwe seer.
Die .LXXVL cluchte.
Veele cooplieden trocken metten anderen wech. Ende des coopmans vrouwe had eenen ouden wijve eenen gulden gegheven, dat si haer leeren soude dat haer man haer na ghinck. Ende sprack hoe dat si wel ghehoort hadde dat men dat wel doen coste. Dat oude wijf leerde haer die conste. Op eenen tijt badt si den man dat si hem haer van sinen wijnbrauwen geven soude. Ende als si hem langhe daerom ghebeden hadde, seyde die man: 'Ja, ick gae alle saterdach totten barbier, so wil ick eens dat haer houden ende u dat brengen.' Ende het was die maniere dat men ter selver tijt langhe gehaerde tesschen droech, daer sneedt hi dat haer af. Ende dee 't in een pampierken ende bracht' zynder vrouwen. Die cooplieden reden wech. Ende als si des nachts aen die herberghe quamen, hinck hi dye tesse aen dye muer ende setten hem aen die tafele. Dye vrouwe maecten haer dingen vast metten hare. Die tesse begost aen de muer te dansen. Die ander cooplieden seyden: 'Siet, wat gaet uwer tesschen over.' Over een wijle dede sy noch selsamer ende spranck van den weech. Die coopman seyde: 'Doet die duere op, si wilt messchien wederom thuiswaert.' Die tessche wentelde haer alom, totdat si thuys voor de duere quam rommelde si daer aen. Ende als de vrouwe dat hoorde, liep si terstont aen die duere ende meynde dat haer man daer ware. Ende als si toe sach, so was 't syn tesse. Doen sach si wel dat si bedroghen was. Ende als 't dach was, reet die coopman wederom thuys ende sloech de arme vrouwe seer.
Beschrijving
Er was eens een koopmansvrouw die van een oude vrouw een toverkunst gekocht had om haar man te dwingen naar haar toe te komen. Daarvoor had zij wat wenkbrauwhaar van hem nodig en daarom vroeg ze dus. De man zei dat hij haar het gevraagde zou geven, maar gaf haar in plaats daarvan wat haar dat hij van zijn (schouder)tas geknipt had. Toen de koopman eens met andere kooplieden van huis was, hing hij zijn tas aan de muur en zette zich aan tafel. Op dat moment sloeg de koopmansvrouw thuis aan het toveren met als gevolg dat de tas aan de kapstok begon te bewegen, eerst een klein beetje maar daarna steeds heftiger. De koopman begreep wat er gaande was en zei: doe de deur eens open, ik denk dat hij naar huis wil. De tas sprong van de haak, rolde huiswaarts en klopte op de deur. De vrouw deed meteen open in de veronderstelling dat het haar man was. Toen ze de tas zag, besefte zij dat hij haar gefopt had. De volgende dag kwam de koopman thuis en gaf zijn vrouw een stevig pak slaag.
Bron
H. Pleij, J. van Grinsven, D. Schouten & F. van Thijn: Een Nyeuwe Clucht Boeck. Een zestiende-eeuwse anekdotenverzameling. Muiderberg 1983.
Commentaar
1554
Bron: Pauli, Schimpf und Ernst 150.
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22