Hoofdtekst
Die .LXXVIII. cluchte.
Daer voer een metter karren in 't bosch. Ende die knecht sat op die carre ende die meester op den boom achter dat peert. Die knecht seyde: 'Meester, siet, daer loopt een hase.' Die meester sach hem oock ende sprack: 'Keert wederom na huys, want het is gansch ongheluck als een hase voor yemanden in den wech loopt. Wi willen huyden yet anders doen.' Die knecht voer weder om. Ende des morgens voeren si wederom uut. Ende als si schier aen 't bosch quamen, seyde de knecht: 'Meester, daer is een wolf vuer ons gheloopen.' Die meester seyde hy hadden wel ghesien, het waer enckel geluck. Ende voeren in 't bosch. Si spanden 't peert in de weyde ende maecten hout. Ende als si dat hout gemaect hadden, ghinc die knecht ende woude die carre metten peerde halen. Doen sach die knecht hoe de wolf dat peert gevelt had ende stont en adt daer af. Die knecht riep den meester ende seyde: 'Meester, dat geluck steect in 't peert.' De meester seyde totten knecht: 'Wat segt ghi?' Die knecht antwoordes 'Dat gheluck steect in 't peert.' Die meester en verstont dat niet ende als hi daer toe quam, sach hi dat die wolf in 't peert stac ende adt vast. Dien geschiede ooc na sinen geloove, want die hase en soude hem dat peert niet geten hebben.
Daer voer een metter karren in 't bosch. Ende die knecht sat op die carre ende die meester op den boom achter dat peert. Die knecht seyde: 'Meester, siet, daer loopt een hase.' Die meester sach hem oock ende sprack: 'Keert wederom na huys, want het is gansch ongheluck als een hase voor yemanden in den wech loopt. Wi willen huyden yet anders doen.' Die knecht voer weder om. Ende des morgens voeren si wederom uut. Ende als si schier aen 't bosch quamen, seyde de knecht: 'Meester, daer is een wolf vuer ons gheloopen.' Die meester seyde hy hadden wel ghesien, het waer enckel geluck. Ende voeren in 't bosch. Si spanden 't peert in de weyde ende maecten hout. Ende als si dat hout gemaect hadden, ghinc die knecht ende woude die carre metten peerde halen. Doen sach die knecht hoe de wolf dat peert gevelt had ende stont en adt daer af. Die knecht riep den meester ende seyde: 'Meester, dat geluck steect in 't peert.' De meester seyde totten knecht: 'Wat segt ghi?' Die knecht antwoordes 'Dat gheluck steect in 't peert.' Die meester en verstont dat niet ende als hi daer toe quam, sach hi dat die wolf in 't peert stac ende adt vast. Dien geschiede ooc na sinen geloove, want die hase en soude hem dat peert niet geten hebben.
Beschrijving
Een boer reed met zijn knecht en een paard en wagen het bos in. De knecht zag een haas en waarschuwde zijn baas. Die gaf opdracht rechtsomkeert te maken want een haas die voor je uitloopt zou ongeluk brengen. De volgende dag gingen zij opnieuw op weg. Nu zag de knecht een wolf voor hen uitlopen. Dat bracht geluk, zei zijn baas. In het bos aangekomen spannen zij het paard uit, laten het grazen en zelf gaan ze hout sprokkelen. Als de knecht het hout op de kar wil laden ziet hij dat de wolf het paard gedood heeft en ervan eet. Daarop riep hij naar zijn meester: Het geluk zit in het paard! De boer begrijpt zijn knecht niet, gaat kijken, en ziet dan het dode paard dat door de wolf aangevreten wordt. Zo werd de boer beloond voor zijn (bij)geloof: de haas zou zijn paard niet hebben opgegeten...
Bron
H. Pleij, J. van Grinsven, D. Schouten & F. van Thijn: Een Nyeuwe Clucht Boeck. Een zestiende-eeuwse anekdotenverzameling. Muiderberg 1983.
Commentaar
1554
Bron: Pauli, Schimpf und Ernst 152.
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22