Hoofdtekst
Van ghiricheyt.
Die .XCV. cluchte.
Daer was een ghierich man dye des nachts niet geslapen en coste. Ende werp hem herwaerts ende derwaerts in 't bedde. Syn vrouwe seyde: 'Man, wat is u dat ghi so ongerustich syt?' 'Ach,' seyde die man, 'dat mi so quelt, soudt ghy wel beteren.' Die vrouwe seyde: 'Gheerne.' Die man sprack: 'Ick hebbe ons huys met wijn, broot, sout ende vleesch besurcht, ende met alle anderen dingen voor dat gansch jaer, op eenen dach na. Ende costen wy dien dach sonder eten syn, so hadden wy voor dat gansch jaer ghenoch. Nu heb ick overleet hoe wij den selven dach oock maken mochten. Ende heb ghedacht dat ick alsoe doen wil: als onse knechts ende jonckwijfs op dat velt comen, so wil ick my stellen of ick doot ware. So moet ghy bi dat lijck gaen sitten crijten ende carmen. Ende als si dan thuys comen, so en sullen sy van rouwe niet eten mogen.' Het was der vrouwen lief ende men leide 't so te wercke. Ende doen si van dat velt quamen sat die vrouwe bi dat lijcke ende claechde ende weende seer ende seide hoe dat haer man haestelijck gestorven was. Dat huysgesin verschroc ende yeghelijc badt vijf pater nosters ende vijf ave mariën. Als dat gebet uut was, seyden sy: 'Vrouwe, wi moeten eten.' Dye vrouwe antwoordes 'Wilt gy noch eten by sulcken droefheyt dye hier is?' Sy antworden: 'Droefheyt hier, droefheyt daer, wy willen eten als wy uut 't velt comen.' Ende doen ginc si hen t'eten geven. Ende als sy aen die tafel saten ende aten, dachte dye doode man dat dien aenslach valsch was: 'Waer 't dat ghy u nu oprechten, soe sullen sy seer vervaert sijn dat een doode opstaen soude, ende en sullen van vervaertheyt niet connen eten.' Dye doode man rechten hem op. Doen greep dye een knecht dye bijl die by hem stont ende sloech hem doot. Doen riep die vrouwe: 'Ghy moorder ghy hebt mijnen man doot gheslaghen!' Dye knecht seyde: 'Neen vrouwe, ghy hebt toch gheseyt dat hi doot was, ende ick dachte dat die duyvel dat lichaem quellen woude. Dien meynde ic te verdrijven.' Alsoe heeft hi syn leefdaech genoch ghehadt, ende die ghiericheyt is so geloont gheweest.
Die .XCV. cluchte.
Daer was een ghierich man dye des nachts niet geslapen en coste. Ende werp hem herwaerts ende derwaerts in 't bedde. Syn vrouwe seyde: 'Man, wat is u dat ghi so ongerustich syt?' 'Ach,' seyde die man, 'dat mi so quelt, soudt ghy wel beteren.' Die vrouwe seyde: 'Gheerne.' Die man sprack: 'Ick hebbe ons huys met wijn, broot, sout ende vleesch besurcht, ende met alle anderen dingen voor dat gansch jaer, op eenen dach na. Ende costen wy dien dach sonder eten syn, so hadden wy voor dat gansch jaer ghenoch. Nu heb ick overleet hoe wij den selven dach oock maken mochten. Ende heb ghedacht dat ick alsoe doen wil: als onse knechts ende jonckwijfs op dat velt comen, so wil ick my stellen of ick doot ware. So moet ghy bi dat lijck gaen sitten crijten ende carmen. Ende als si dan thuys comen, so en sullen sy van rouwe niet eten mogen.' Het was der vrouwen lief ende men leide 't so te wercke. Ende doen si van dat velt quamen sat die vrouwe bi dat lijcke ende claechde ende weende seer ende seide hoe dat haer man haestelijck gestorven was. Dat huysgesin verschroc ende yeghelijc badt vijf pater nosters ende vijf ave mariën. Als dat gebet uut was, seyden sy: 'Vrouwe, wi moeten eten.' Dye vrouwe antwoordes 'Wilt gy noch eten by sulcken droefheyt dye hier is?' Sy antworden: 'Droefheyt hier, droefheyt daer, wy willen eten als wy uut 't velt comen.' Ende doen ginc si hen t'eten geven. Ende als sy aen die tafel saten ende aten, dachte dye doode man dat dien aenslach valsch was: 'Waer 't dat ghy u nu oprechten, soe sullen sy seer vervaert sijn dat een doode opstaen soude, ende en sullen van vervaertheyt niet connen eten.' Dye doode man rechten hem op. Doen greep dye een knecht dye bijl die by hem stont ende sloech hem doot. Doen riep die vrouwe: 'Ghy moorder ghy hebt mijnen man doot gheslaghen!' Dye knecht seyde: 'Neen vrouwe, ghy hebt toch gheseyt dat hi doot was, ende ick dachte dat die duyvel dat lichaem quellen woude. Dien meynde ic te verdrijven.' Alsoe heeft hi syn leefdaech genoch ghehadt, ende die ghiericheyt is so geloont gheweest.
Onderwerp
AT 1711* - A Wood-cutter does not Fear the Dead   
ATU 1711* - The Brave Shoemaker   
Beschrijving
Een gierige man ligt wakker omdat hij voor een heel jaar eten en drinken in huis heeft op één dag na. Kon hij maar iets bedenken om die ene dag geen eten te hoeven geven aan de knecht en de meid. Hij besluit samen met zijn vrouw te doen alsof hij dood is als de knecht en de meid van het land komen in de hoop dat zijn overlijden hen alle trek beneemt. Dat blijkt dus niet het geval, na de eerste schrik willen ze eten. Nu denkt de man er slim aan te doen van zijn doodsbed op te staan in de hoop dat zijn verrijzenis alle eetlust doet verdwijnen. Helaas voor hem en zijn vrouw verloopt het anders, de knecht pakt een bijl en slaat het lijk dood in de veronderstelling dat de duivel zich van het stoffelijk overschot heeft meester gemaakt. Zo kwam het gierige boontje om zijn loontje.
Bron
H. Pleij, J. van Grinsven, D. Schouten & F. van Thijn: Een Nyeuwe Clucht Boeck. Een zestiende-eeuwse anekdotenverzameling. Muiderberg 1983.
Commentaar
1554
Bron: Pauli, Schimpf und Ernst 176.
A Wood-cutter does not Fear the Dead
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
