Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

CLUCHT129

Een mop (kluchtboek), 1554

Hoofdtekst

Die .CXXVII. cluchte.

Men schrijft van dry weduwen die noch eens goet leven hebben wouden ende wederom houwen. Die eerste weduwe seyde: 'Ick en vinde nu geenen man die my nemen wil, si en soecken niet dan dat mijne.' Die tweede seyde: 'So langhe als mijnen man in mijn herte leeft, soe en is hy noch niet doot, ende so en wil ick oock gheenen anderen.' Die derde sprack: 'Ick heb tevoren eenen goeden man ghehadt. Neme ick eenen anderen, soe sal hy goet oft quaet syn. Is hy quaet, soe soude 't my suer vallen na eenen goeden eenen quaden te hebben. Waer hi dan goet, so moeste ick altijt sorghen dat ick hem niet en stoorde. Ende als hi dan storf, so sou 't my alderhertste vallen. Daerom willen wi weduwen blijven.'

Beschrijving

Drie weduwen wilden hertrouwen. Daar kwamen ze echter van terug. De eerste weduwe dacht dat een nieuwe man alleen maar achter haar goed aan zou zitten. De tweede wilde geen ander, zolang haar man nog in haar hart leefde. De derde wilde geen slechte man, na een goede gehad te hebben, en wilde niet nog eens een goede man verliezen.

Bron

H. Pleij, J. van Grinsven, D. Schouten & F. van Thijn: Een Nyeuwe Clucht Boeck. Een zestiende-eeuwse anekdotenverzameling. Muiderberg 1983.

Commentaar

1554
Bron: Pauli, Schimpf und Ernst 222.

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:22