Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

CLUCHT130

Een mop (kluchtboek), 1554

Hoofdtekst

Van die straffinge des overspels.

Die .CXXVIII. cluchte.

Een coopman woude te LYONS in dye mert trecken. Ende quam in een wout daer een eedelman gejaecht hadde, ende men brocht hem herten ende hinden na. Die coopman prees den edelman seer tegen den knecht, dat hi so sconen man was, ende seyde veel goets van hem. Het geviel den knecht seer wel ende reedt tot sinen heere, die een ridder was, ende seyde tot hem: 'Heer, daer rijt een coopman uut vreemde landen achter die veel goets van u seyt ende hoe salich dat ghi op aertrijck syt, doet hem wederom een eere aen.' Die ridder voechde hem totten coopman ende coute met hem, waer hi henen woude ende van waer hi quame. Als men schier aen die stadt quam, seyde die ridder: 'Heer coopman, waer wilt ghi te nacht in die herberghe syn?' Dye coopman seyde: 'Ic vraghe nae den besten weerdt.' De ridder seyde: 'Ghi sult t'avont mijn gast syn.' Dye coopman antwoorde: 'Heere, het is te veel,' maer hy reedt noch met hem. Als men in den hof reedt, ontfinc een van die knechten des coopmans peert ende seyde: 'Heere, ghi en dorft gheen sorghe voor dat peerdt hebben, wy willen 't besorghen.' Als hy in de camer quam, waren daer reyne hemden ende vossen tabbaerden die men aendede, ghelijck der WALEN manier is. Als men eeten soude, quam des ridders vrouwe met twee dochteren, schoon verciert, ende ontfingen den gast ende men sat ter tafelen. Maer die coopman hadde alleneen die vrouwe met ten dochteren ende dat silveren werck in die ooge ende dachte: 'Hoe can toch een mensche op aertrijck beter varen dan dese ridder. Hi heeft wat hi wilt.' Ende men droech veel gerechten aen, hi adt ende dranck. Daerna bracht men in twee silveren schotelen eens mans hooft met eenen baerde. Die coopman verschricte seer ende dachte: 'O, morgen sal men u 't hooft ooc alsoe ter tafelen bringen.' Men droech terstont wech ende bracht een ander gerecht. Die coopman en mocht niet meer eten ende die vrouwe trooste hem ende leyde hem voor. Ende als men gheten hadde, bancketeerden si ooc. Daerna wees men hem slapen ende gaven hem een licht ende seyden hi soude op een bedde liggen, in welck hi woude, 'want si syn al bereet.' Men grendelde die duere van buyten. Die coopman dede van binnen ooc den grendel daervoor. Daer waren veel omhangen aen die weengen ende die coopman woude alle dinck besien. Hier hingen boogen, daer hernasch, hier spisen, daer cokers. Ende aen een ander side van den mueren lichte hi een cleet op, daer hingen II jongelingen die doorsteken waren. Dese coopman meynde men soude hem daer ooc hangen. Dat licht ghinck hem uut ende hi leyde hem in die cleeder op dat bedde ende die nacht worde hem over- lanck. Ende als 't dach wert dede men hem den grendel wederom op. Die coopman bereyde hem vast om wech te rijden. Die ridder quam ende seyde tot hem: 'Heer coopman, hoe hebdi te nacht geslapen?' Die coopman antwoorde: 'Ick heb qualick geslapen. Mijn leven lanck en is my gheenen nacht langher ghevallen dan desen.' Dye ridder seyde: 'Waerom, en syn die slapelaken niet reyn gheweest?' Die coopman seyde: 'Neen, het is al reyn ende schoon geweest, maer als ick heb willen besien wat achter die omghanghen ware ende gevonden datter in den hoeck twee hinghen die doot waren, hebbe ick ghesorcht dat men mi bi haer hanghen soude. Ende als mi die oogen toe ginghen, so is mi dat hooft metten baerde in den sin comen ende die twee dooden. Daerom bidde ick u, lieve heere, dat ghi mi in mijnen vrede wilt laten henen reysen.' Die ridder seyde: 'Ghi syt lijfs ende goets seker.' Die coopman seyde: 'Maer segt my toch wat alle dese dingen bedieden.' Die ridder antworde: 'Ghi hebt tot mijnen knechte geseyt dat ic soe gheluckich op aerden ben ende dat ick al hebbe wat tot eenen goeden leven behoort. Maer ghi en weet niet wat my oock dringt. Dat hooft metten baerde is een ridder gheweest op een slot, dien ick by mijnder vrouwen in overspel heb bevonden. Ende hebbe hem dat hooft afghehouwen ende laet dat altijt ter tafelen draghen, dat mijn huysvrou ghedencken soude wat si ghedaen heeft, ende vernieuwen haer soe dat overspel. Die twee die in dye camer hanghen syn mijns broeders soons gheweest. Dese hebben dye vryenden des selven ridders doorsteken, want aen mi en costen si haer niet wreecken, daerom hebben si van die mijne wraeke ghenomen. Die hebbe ick daer ghehanghen ende gae alle daghe daer toe om te besien, opdat ic vergramt werde om dat onsculdich bloet te wreken. Nu bedenct wat ic voor een goet leven op aertrijck hebbe als ick dat overspel ende dat onschuldich bloet der tweën die daer hanghen voor mijne ooghen sie. Daerom, lieve coopman, vaert henen ende en oordeelt gheens menschen leven meer, hetsi goet oft quaet, ghy en hebbe 't beter ondersocht dan dat mine.' Doen reysde dye coopman wech ende vertelde hoe dattet hem vergaen was.

Onderwerp

AT 0992A - The Adulteress's Penance    AT 0992A - The Adulteress's Penance   

ATU 0992A - The Adulteress’s Penance.    ATU 0992A - The Adulteress’s Penance.   

Beschrijving

Een koopman kwam in contact met een ridder door hem en zijn leven op aarde te prijzen. Ze reden samen op en de ridder nodigde de koopman uit in zijn hof. Bij de maaltijd bracht men in een hoofd van een man met een baard binnen. De koopman schrok daar erg van en wilde niet meer eten. Toen hij een slaapplaats zocht zag hij twee dode jongelingen hangen achter een kleed. De man sliep erg slecht en was bang dat hem iets zou overkomen. De volgende dag sprak hij de ridder. Die legde uit dat het hoofd op de schaal van een man was met wie zijn vrouw overspel had gepleegd. De ridder had die man zelf onthoofd. De jongelingen waren zijn neven, die vermoord waren door vrienden van de onthoofde man. Om zijn vrouw aan haar overspel te herinneren en zichzelf aan de wraak op onschuldige jongens, bewaarde hij het hoofd en de lijken. Hij zei tegen de koopman dat hij niet te snel moest oordelen over het leven van andere mensen, zoals hij bij de ridder gedaan had.

Bron

H. Pleij, J. van Grinsven, D. Schouten & F. van Thijn: Een Nyeuwe Clucht Boeck. Een zestiende-eeuwse anekdotenverzameling. Muiderberg 1983.

Commentaar

1554
Bron: Pauli, Schimpf und Ernst 223.
The Adulteress's Penance

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:22