Hoofdtekst
Die .CCXXI. cluchte.
Myne dienaers ende ruyters syn laesten twee cooplieden teghen comen. Ende hebben wel dry guldens hy haer ghevonden ende haer ghenomen. Die cooplieden syn tot my op 't slot comen ende vraechden mi hoe dat mijn knechts haer beroeft hadden. Ic vraechde haer oft si die goede rocx die si daer aen hadden, die tijt oock aen hadden. Si antwoorden: 'Ja.' Doen seyde die heer: 'So en syn 't mijn knechts niet gheweest, want mijn knechts en hadden u die goede cleederen niet gelaten, si souden se u oock afghenomen hebben. Daerom ordeele ic dat valsheyt dat vaenken draecht.'
Myne dienaers ende ruyters syn laesten twee cooplieden teghen comen. Ende hebben wel dry guldens hy haer ghevonden ende haer ghenomen. Die cooplieden syn tot my op 't slot comen ende vraechden mi hoe dat mijn knechts haer beroeft hadden. Ic vraechde haer oft si die goede rocx die si daer aen hadden, die tijt oock aen hadden. Si antwoorden: 'Ja.' Doen seyde die heer: 'So en syn 't mijn knechts niet gheweest, want mijn knechts en hadden u die goede cleederen niet gelaten, si souden se u oock afghenomen hebben. Daerom ordeele ic dat valsheyt dat vaenken draecht.'
Beschrijving
Een edelman vertelt het verhaal wat hij aankondigde in CLUCHT224. Een aantal dienaren van deze edelman hadden twee kooplieden beroofd. Die kwamen later bij hem verhaal halen. De edelman zei echter dat het zijn knechten niet geweest konden zijn, want die zouden hen de mooie kleding die ze droegen ook hebben afgenomen. Daarom oordeelde hij dat valsheid regeerde. De knecht uit CLUCHT224 verloor dus de weddenschap.
Bron
H. Pleij, J. van Grinsven, D. Schouten & F. van Thijn: Een Nyeuwe Clucht Boeck. Een zestiende-eeuwse anekdotenverzameling. Muiderberg 1983.
Commentaar
1554
Bron: Pauli, Schimpf und Ernst 490
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22