Hoofdtekst
Die .CCXXVIII. cluchte.
Een coninc van VRANCRIJC hadde eens een luys op zijn schouderen loopen, dwelc een van sinen lackeyen sach ende raepten die met groote huesheyt af. Doen vraechde die coninc wat dat ware. Die lackey schaemden hem dat te segghen, maer naedat die coninc ymmers weten woude, seyde hi: 'Heer, het was een luys.' Doen antwoorde die coninck: 'Schaemdy u dies te segghen? Het is een teecken dat ick een mensch ben,' ende schanc dien lackey vierhondert croonen. Dwelck vernemende een ander lackey dacht: 'Hoe is de coninck soo liberael. Ic moet ooc eens maecken dat ick oock wat crijgen.' Ende beyde een pose daerna. Ende met alsulcke huesheyt dede hi ghelijc oft hy den coninc wat af gheraept hadde. Doen vraechde die coninck wat dat was. Hy antwoorde: 'Heere, het is een vloye,' meynende 'Heeft hi den anderen om een luys, dat toch een veleynder dinck is dan een vloye, so veel ghegeven, hi sal mi noch badt versien.' Dye coninck, verstaende syn meyninghe, seyde: 'Ghi rabbaut, wat meyndy, dat ick een hont ben?' ende dede hem wel gheesselen met roeden. So creech hy oock wat, maer 't en waren gheen ducaten, noch croonen.
Een coninc van VRANCRIJC hadde eens een luys op zijn schouderen loopen, dwelc een van sinen lackeyen sach ende raepten die met groote huesheyt af. Doen vraechde die coninc wat dat ware. Die lackey schaemden hem dat te segghen, maer naedat die coninc ymmers weten woude, seyde hi: 'Heer, het was een luys.' Doen antwoorde die coninck: 'Schaemdy u dies te segghen? Het is een teecken dat ick een mensch ben,' ende schanc dien lackey vierhondert croonen. Dwelck vernemende een ander lackey dacht: 'Hoe is de coninck soo liberael. Ic moet ooc eens maecken dat ick oock wat crijgen.' Ende beyde een pose daerna. Ende met alsulcke huesheyt dede hi ghelijc oft hy den coninc wat af gheraept hadde. Doen vraechde die coninck wat dat was. Hy antwoorde: 'Heere, het is een vloye,' meynende 'Heeft hi den anderen om een luys, dat toch een veleynder dinck is dan een vloye, so veel ghegeven, hi sal mi noch badt versien.' Dye coninck, verstaende syn meyninghe, seyde: 'Ghi rabbaut, wat meyndy, dat ick een hont ben?' ende dede hem wel gheesselen met roeden. So creech hy oock wat, maer 't en waren gheen ducaten, noch croonen.
Beschrijving
Een lakei plukte eens iets van de schouder van de koning van Frankrijk. Na enige aarzeling vertelde hij de koning dat het een luis was. De koning schonk hem uit dank 400 kronen. Een andere lakei werd op een idee gebracht en deed net of hij een vlo van de koning plukte. De koning werd toen woedend, want alleen honden hebben vlooien. De lakei kreeg toen geen geld, maar werd wel geslagen met een roede.
Bron
H. Pleij, J. van Grinsven, D. Schouten & F. van Thijn: Een Nyeuwe Clucht Boeck. Een zestiende-eeuwse anekdotenverzameling. Muiderberg 1983.
Commentaar
1554
Bron: onbekend
Naam Overig in Tekst
Vrancrijc   
Naam Locatie in Tekst
Frankrijk   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
