Hoofdtekst
Thomas en de geit
In 't begin van deze eeuw was 't in heel Noord-Limburg geen vetpot. De economische toestand was er erbarmelijk, al was er sinds 't einde der 19e eeuw een verbetering ingetreden. Vele mensen, zeker de gewone man, zagen zich vaak genoodzaakt er een geit op na te houden, die zorgen moest voor de nodige melk voor het gezin. Geitemelk is voedzaam en gezond. Zo was het ook in Tienray. De bok die zorgen moest voor de nakomelingschap die meestal werd afgeslacht, zodat de melk overbleef voor het gezin, was gehuisvest in Swolgen bij de bokkehouder die vlak bij de school woonde, waar ook de kinderen uit Tienray hun kennis moesten opdoen. Als de kinderen erlangs kwamen, konden ze 't ruiken, want het beest gaf een scherpe geur af. Als de geit 'rits', d.i. tochtig, werd moest men ermee naar de bak. Van Tienray uit was dat een heel eind. Vaak moesten kinderen van 10 jaar en ouder met de geit naar de bok gestuurd worden, want vader was op het werk en de moeder had haar handen meer dan vol aan haar gezin en het kleinere vee waarvoor zij zorgde. De kinderen waren dan ook volledig op de hoogte van 't geslachtsleven der dieren van konijnen, katten, honden en geiten. Zo was ook de toestand in het huis van Thomas, de oudste van een groot aantal kinderen, toen de geit 'rits' werd. Ze moest naar de bok, maar vader was niet thuis; moeder wel, maar die kon het huis niet uit.
Toen Thomas die middag van de school uit Swolgen thuiskwam, zei ze tegen hem: 'Thomas, de geit is rits. Je moet met haar naar de bok. Dat kost een dubbeltje. Hier heb je het.'
Thomas hoefde verder niet veel te vragen. Hij wist wat hem te doen stond. Hij pakte een stevig touw, bond dat aan de ring van de halsband van het beest en zei: 'Kom, ouwe, we gaan samen op stap.' Zo trokken ze getweeën de straat op. Toen ze in het dorp kwamen op het dorpspleintje, de markt genoemd, stond hij stil voor het raam van de bakkerswinkel, waar ook snoep verkocht werd. Die rode en die witte ballen in de grote flessen waren zo verleidelijk dat hij de bekoring niet kon weer-staan, de geit aan een boom bond en de winkel binnenstapte, waar hij voor vijf cent een tiental van die rode en witte verleiders kocht, die een plaats vonden diep in zijn broekzak. Toen weer naar buiten, de weg naar Swolgen op; hij af en toe dansend van plezier, zij op haar stijve benen voortstappend als een steltloper. De vrouw zag hem door het raam aankomen en ze maakte de staldeur voor hem open. 'Wat kom je doen?' vroeg zij. Die vraagt naar de bekende weg, dacht Thomas, maar hij zei: 'De geit moet naar de bok.'
'Heb je geld bij je?' vroeg ze weer.
'Ja,' zei Thomas, 'hier, vijf cent.'
'Dat is te weinig,' zei ze, 'dat kost tien cent.'
'Meer heb ik niet,' aarzelde Thomas, 'doe er dan maar voor vijf cent in, dat is toch genoeg.'
De vrouw schoot in een luide lach en ze zei: 'Kom maar mee, jongen. Voor jou zal ik er voor vijf cent in doen.'
Een minuut of tien later stolperde hij met de geit op huis aan. Hij trok een lachend gezicht tegen de rode suikerbol die hij in zijn mond stak, en zei bij zichzelf: 'Men moet maar slim zijn.'
In 't begin van deze eeuw was 't in heel Noord-Limburg geen vetpot. De economische toestand was er erbarmelijk, al was er sinds 't einde der 19e eeuw een verbetering ingetreden. Vele mensen, zeker de gewone man, zagen zich vaak genoodzaakt er een geit op na te houden, die zorgen moest voor de nodige melk voor het gezin. Geitemelk is voedzaam en gezond. Zo was het ook in Tienray. De bok die zorgen moest voor de nakomelingschap die meestal werd afgeslacht, zodat de melk overbleef voor het gezin, was gehuisvest in Swolgen bij de bokkehouder die vlak bij de school woonde, waar ook de kinderen uit Tienray hun kennis moesten opdoen. Als de kinderen erlangs kwamen, konden ze 't ruiken, want het beest gaf een scherpe geur af. Als de geit 'rits', d.i. tochtig, werd moest men ermee naar de bak. Van Tienray uit was dat een heel eind. Vaak moesten kinderen van 10 jaar en ouder met de geit naar de bok gestuurd worden, want vader was op het werk en de moeder had haar handen meer dan vol aan haar gezin en het kleinere vee waarvoor zij zorgde. De kinderen waren dan ook volledig op de hoogte van 't geslachtsleven der dieren van konijnen, katten, honden en geiten. Zo was ook de toestand in het huis van Thomas, de oudste van een groot aantal kinderen, toen de geit 'rits' werd. Ze moest naar de bok, maar vader was niet thuis; moeder wel, maar die kon het huis niet uit.
Toen Thomas die middag van de school uit Swolgen thuiskwam, zei ze tegen hem: 'Thomas, de geit is rits. Je moet met haar naar de bok. Dat kost een dubbeltje. Hier heb je het.'
Thomas hoefde verder niet veel te vragen. Hij wist wat hem te doen stond. Hij pakte een stevig touw, bond dat aan de ring van de halsband van het beest en zei: 'Kom, ouwe, we gaan samen op stap.' Zo trokken ze getweeën de straat op. Toen ze in het dorp kwamen op het dorpspleintje, de markt genoemd, stond hij stil voor het raam van de bakkerswinkel, waar ook snoep verkocht werd. Die rode en die witte ballen in de grote flessen waren zo verleidelijk dat hij de bekoring niet kon weer-staan, de geit aan een boom bond en de winkel binnenstapte, waar hij voor vijf cent een tiental van die rode en witte verleiders kocht, die een plaats vonden diep in zijn broekzak. Toen weer naar buiten, de weg naar Swolgen op; hij af en toe dansend van plezier, zij op haar stijve benen voortstappend als een steltloper. De vrouw zag hem door het raam aankomen en ze maakte de staldeur voor hem open. 'Wat kom je doen?' vroeg zij. Die vraagt naar de bekende weg, dacht Thomas, maar hij zei: 'De geit moet naar de bok.'
'Heb je geld bij je?' vroeg ze weer.
'Ja,' zei Thomas, 'hier, vijf cent.'
'Dat is te weinig,' zei ze, 'dat kost tien cent.'
'Meer heb ik niet,' aarzelde Thomas, 'doe er dan maar voor vijf cent in, dat is toch genoeg.'
De vrouw schoot in een luide lach en ze zei: 'Kom maar mee, jongen. Voor jou zal ik er voor vijf cent in doen.'
Een minuut of tien later stolperde hij met de geit op huis aan. Hij trok een lachend gezicht tegen de rode suikerbol die hij in zijn mond stak, en zei bij zichzelf: 'Men moet maar slim zijn.'
Beschrijving
Thomas wordt met de geit naar de bok gestuurd, maar koopt onderweg voor de helft van het meegekregen dubbeltje snoep en zegt tegen de vrouw: "Doe er maar voor 5 cent in, da's genoeg." De vrouw kan er wel om lachen en zegt voor hem er voor 5 cent in te zullen doen.
Bron
Willem de Blécourt, Volksverhalen uit Nederlands Limburg, Utr./Antw.1981, 29f N°1.5
Commentaar
voor 1977
Naam Overig in Tekst
Thomas (v. G.)   
Noord-Limburg   
Swolgen   
Naam Locatie in Tekst
Tienray   
Datum Invoer
2013-03-01 14:50:22
