Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VVUNL031 - De weerwolf

Een sage (mondeling), 1967 - 1976

Hoofdtekst

De weerwolf

't Is wel heel lang geleden, maar toch echt waar gebeurd. Mijn moeder heeft het mij verteld, en die had het weer van haar moeder.
In Meerlo woonde een naaister. Ze was niet getrouwd en daarom woonde ze bij een paar oude mensen in een kamer. Het huis stond midden in het dorp, dicht bij de kerk aan de weg naar Wanssum. Ze kon zo goed naaien dat ze ook wel eens gevraagd werd op 't kasteel in Blitterswijck om daar voor de deftige dames een kleed te maken, en dat gebeurde nog wel eens, want rijk is graag sjiek, begrijp je.
Dien heette de naaister. Eens op een keer had ze weer gewerkt op 't kasteel in Blitters-wijck. Eigenlijk was ze daar al een paar dagen bezig geweest om een prachtig kleed voor de mevrouw te maken. Ze was niet klaargekomen voor het vallen van de avond en had doorgewerkt tot 10 uur. Nu moest ze door de donkere avond naar Meerlo door de bossen en over het veld. Maar ze was niet bang, zei ze, wie zou haar wat doen? Mooi was ze niet, ze zouden haar laten lopen. Daar maakte ze zich geen zorgen over. Zo ging ze op weg.
Bij 't St.-Annakapelletje hoorde ze wat achter zich. Ze schrok toch wel een beetje. Ze draaide zich om en zag nog juist dat een groot zwart beest zich verstopte achter een dikke boom. Van schrik stond ze te rillen op haar benen. Ze keek nog eens om en zag dat van achter de boom twee gloeiende ogen naar haar keken.
Gelukkig, daar kwam iemand de weg op. 't Beest achter de boom had 't zeker ook gehoord, want opeens was het verdwenen.
't Was een man, dat hoorde ze aan de stappen. Daar was ie.
Gelukkig een bekende, Peter, die een paar honderd meter van haar af woonde. Hij had zijn geweer aan de schouder hangen.
Die was zeker op jacht geweest en had zich in de herberg bij de kerk te goed gedaan aan de erwtensoep en daarna aan heel wat bier. Dat gebeurde wel eens meer.
'Hé,' zei Peter, die haar herkende, 'Dien, ben jij dat?'
'Ja, Peter,' zei ze, 'ik heb mij verlaat met naaien op het kasteel. Mag ik met je meelopen, dan ben ik niet meer bang.'
'Bang,' zei Peter, 'waarvoor?'
'Ja,' zei Dien, 'kijk, toen jij kwam, is daar een heel groot beest weggekropen, dat mij wat wilde doen.'
'Je ziet spoken,' zei Peter, 'kom maar mee, er is niks, en als er wat zou zijn, dan heb ik hier nog mijn geweer. 't Is geladen. Ik zou het beest zo kunnen neerschieten.' En zo sjokten ze samen op Meerlo aan. Af en toe keek Dien nog eens om. Opeens zag ze hem weer. 't Was een heel grote wolf. Hij stond op z'n achterste poten. Hij was nog veel groter dan Peter. Zijn ogen stonden te gloeien in zijn kop en zijn tanden flikkerden in zijn muil. Hij bromde zo hard dat ze rilde over haar hele lijf. Peter zag hem nu ook, maar eer hij aangelegd had, was 't beest plotseling verdwenen. Nog eens probeerde hij dichterbij te komen, maar eer Peter 't geweer gericht had, verdween hij. Voor dat geweer had hij angst. Van Bergsböske af waren ze hem kwijt. Ze zagen hem niet meer en 't was rondom stil. 't Was alsof hij ineens in de grond was verzonken, naar de hel toe, waar hij zeker thuishoorde. Hij was weg. Goddank! Met een gerust hart trokken ze verder op huis aan. Toen ze op de grote weg kwamen in 't dorp, sloegen ze rechtsaf, op Wanssum aan. Daar woonde Peter. Een paar honderd meter verder stond het huis waar Dien woonde. Bij 't huis van Peter keken ze nog eens goed rond. Er was niets meer te zien. 'Ik breng je nog wel even thuis,' zei Peter, 'dan hoef je geen angst meer te hebben. Ik zal mijn geweer hier maar neerzetten, want 't is zo lastig om 't te dragen.' En hij zette 't geweer naast de huisdeur en bracht Dien naar huis. Peter zijn vrouw was om 9 uur al naar bed gegaan, want ze dacht: ''t Zal wel laat worden eer hij thuiskomt, want als die jagers aan 't drinken zijn geraakt, dan kan 't wel morgenvroeg worden. Dat heeft ie 'm wel vaker gelapt.' En ze sliep gerust in. Toen 't 's morgens licht werd, werd ze wakker. Ze keek, maar ze zag geen Peter naast haar liggen. En 't was al heldere dag. Toen werd ze toch wat ongerust. Ze stond op, kleedde zich aan en ging eens naar buiten kijken. Wat schrok ze. De stoep lag vol bloed, maar van Peter was niets te zien als zijn klompen die voor de deur stonden. Dat was alles wat er van Peter over was. Maar in die klompen zaten nog de tenen. Daar had de smeerlap niet bij gekund. 't Geweer stond nog naast de deur.

Beschrijving

De naaister Dien, die laat naar huis komt, ziet een groot beest en is blij even later Peter tegen te komen, die een geweer draagt, waarvoor de weerwolf bang is. Zo komt Dien veilig thuis, maar Peter wordt op de weg terug vlakbij zijn huis opgevreten; alleen zijn klompen met de tenen erin zijn er nog.

Bron

Willem de Blécourt, Volksverhalen uit Nederlands Limburg, Utr./Antw.1981, 33-35 N°1.8

Motief

D113.1.1 - Werwolf.    D113.1.1 - Werwolf.   

Commentaar

voor 1977
De heer Hofman had het gehoord van zijn grootmoeder, Mevr. G.M.E. Bexkens-Thurlings, geb. Meerlo 26-2-1849 en aldaar overleden 12-1-1940, een eenvoudig en ongeletterd mens.

Naam Overig in Tekst

Dien    Dien   

St-Annakapelletje    St-Annakapelletje   

Peter    Peter   

Bergböske    Bergböske   

Naam Locatie in Tekst

Meerlo    Meerlo   

Wanssum    Wanssum   

Blitterswijck    Blitterswijck   

Datum Invoer

2013-03-01 14:50:22